ID.nl logo
Waarom lijken de Huawei P Smart en Honor 10 Lite zoveel op elkaar?
© Reshift Digital
Huis

Waarom lijken de Huawei P Smart en Honor 10 Lite zoveel op elkaar?

De Huawei P Smart (2019) en Honor 10 Lite zijn praktisch identiek. Niet alleen qua ontwerp, maar ook de specificaties en de software lijken heel veel op elkaar. De prijskaartjes verschillen ook nauwelijks. Waarom lijken de Honor 10 Lite vs Huawei P Smart (2019) zo op elkaar en wat zijn de verschillen?

In januari bracht Huawei de P Smart (2019) uit, een budgetsmartphone met een adviesprijs van 249 euro. In dezelfde maand lanceerde Honor de 10 Lite, eveneens een goedkoop toestel dat 229 euro kost. We hebben beide telefoons onlangs getest en ze naast elkaar gelegd. De gelijkenissen zijn overduidelijk, maar ook onder de motorkap gebruiken de toestellen praktisch dezelfde hardware. Waarom lijken ze zoveel op elkaar, wat zijn de verschillen en waarom is de P Smart twee tientjes duurder?

Huawei en Honor: moeder en dochter

Dat de smartphones van Huawei en Honor zoveel op elkaar lijken, is niet vreemd. Honor is namelijk een submerk van Huawei, een dochteronderneming dus. Huawei startte in 2013 met Honor als een merk dat zich richt op online verkoop en een jonge doelgroep. Een jaar later kwam Honor ook in Nederland beschikbaar als trots submerk van Huawei. Dat werd niet zo’n succes, waarna de fabrikant zich terugtrok. Eind 2018 vond de comeback plaats, inclusief nieuwe smartphones en een andere strategie. Honor positioneert zichzelf niet meer als een onderdeel van Huawei, maar doet zich voor als een meer losstaande telefoonfabrikant die nauwe banden onderhoudt met Huawei, wat overigens best verwarrend kan zijn. De smartphones worden nog steeds voornamelijk online verkocht en het merk richt zich nog steeds op jongeren.

©PXimport

Honor 10 Lite naast Huawei P Smart (2019)

Hoewel Honor wil uitstralen dat het geen submerk meer is van Huawei, doet het weinig moeite om zich te onderscheiden van het moederbedrijf. De meeste nieuwe Honor-telefoons lijken namelijk sprekend op de modellen van Huawei, met de Honor 10 Lite en Huawei P Smart (2019) als mooi voorbeeld.

De gelijkenissen beginnen al bij het uitpakken van de smartphones. De doosjes zijn praktisch identiek, op de merknamen en kleuren na uiteraard. In beide verpakkingen vind je een stekker en oplaadkabel met het Huawei-logo, opladers die technisch identiek zijn. De grootste verrassing zit ‘m in de accessoires: Honor levert een transparant hoesje mee, Huawei een setje bedrade (en niet indrukwekkende) oordopjes.

©PXimport

Hardware: een andere frontcamera

Kijk je naar de telefoons zelf dan valt op dat de Honor 10 Lite praktisch dezelfde afmetingen heeft als de Huawei P Smart (2019). De beeldschermen zijn identiek en de achterkanten lijken veel op elkaar. De cameramodule oogt iets anders en het Huawei-logo is vervangen door Honor, maar is de 10 Lite gewoon een Huawei-toestel. Het grootste zichtbare verschil is de andere kleur blauw. De voorkant is ook nagenoeg identiek: een even groot 6,21 inch full-hd-scherm met een inkeping voor de frontcamera. Opmerkelijk genoeg verschillen de camera’s. De P Smart (2019) heeft een 8 megapixel exemplaar, terwijl op de – goedkopere – Honor 10 Lite een 24 megapixel selfiecamera aanwezig is. Het kwaliteitsverschil tussen de camera’s is echter minimaal, zo is onze ervaring.

Onder de motorkap zijn er helemaal geen verschillen tussen de twee smartphones. De complete specificatielijst is identiek. Beide telefoons hebben een Kirin 710-processor, 3GB/64GB werk- en opslaggeheugen en een 3400 mAh accu met micro-usb-aansluiting. Achterop zit in beide gevallen een dubbele 13 en 2 megapixel camera.

©PXimport

Bijna dezelfde EMUI-software

Zet je de twee telefoons aan, dan valt op dat de software ook bijna identiek is. Beide smartphones draaien op Android 9.0 (Pie) met de EMUI-softwareschil van Huawei. Ja, dat klopt: Honor gebruikt als ‘zelfstandig opererend merk’ de software van het moederbedrijf. Terwijl ze ook moeiteloos hadden kunnen kiezen voor Android One.

Om te voorkomen dat critici kunnen zeggen dat de software rechtstreeks is overgenomen, heeft Honor een handvol subtiele veranderingen doorgevoerd. De Honor-interface gebruikt bijvoorbeeld een andere kleur blauw, een paar andere app-icoontjes en een Honor-app, in feite een snelkoppeling naar de website van het bedrijf. Verder is de software identiek. Het instellingenscherm, de camera-app, de bloatware-apps van Facebook, Amazon, Booking.com en andere partijen: ben je bekend met een Huawei-telefoon dan ben je direct gewend aan een toestel van Honor. Is dat negatief? Op zich niet, want voor zowel Honor als voor veel klanten is het eenvoudig om EMUI te gebruiken. Echter is het wel wat gek dat Honor zich als een zelfstandige telefoonfabrikant voordoet terwijl het in feite Huawei-software op zijn toestellen installeert.

©PXimport

©CIDimport

©CIDimport

©CIDimport

Softwarebeleid

Goed om te weten is dat Huawei een duidelijk updatebeleid heeft voor zijn telefoons, ook de budgetmodellen zoals de P Smart. Het toestel krijgt regelmatig beveiligingsupdate en minstens één grote Android-update. Honor doet geen concrete uitspraken over zijn updatebeleid en dat is vreemd. Hecht je – terecht – waarde aan regelmatige en lange softwareondersteuning dan ben je dus beter uit met een Huawei-toestel.

Prijskaartjes

Als de Huawei P Smart (2019) en Honor 10 Lite zoveel op elkaar lijken, waarom is eerstgenoemde dan twintig euro duurder? Natuurlijk wil Huawei meer winst maken, maar wellicht wil het ook wat luxer overkomen: dat begint al bij het prijskaartje. De verschillen tussen de smartphones zijn dus minimaal; het enige onderdeel dat echt anders is, is de frontcamera. De kans is zeer groot dat de telefoons uit dezelfde fabriek komen en dezelfde kostprijs hebben. Honor biedt de 10 Lite iets goedkoper aan dan de P Smart en dat is waarschijnlijk omdat het merk genoegen neemt met een kleiner marge. Vanuit het marketingoogpunt is dat slimmer dan de telefoon even duur maken als de P Smart (2019), want dan zullen de meeste mensen toch kiezen voor de telefoon van het veel bekendere Huawei. Dat weet Huawei ook, net zoals dat de fabrikant weet dat veel mensen nu ook voor de P Smart kiezen. Wie goed oplet, is met de praktisch identieke Honor 10 Lite echter een paar tientjes goedkoper uit.

▼ Volgende artikel
Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?
Huis

Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?

Iedereen droomt weleens van een thuisbioscoop, maar groter is niet altijd beter. Een te groot scherm kan bijvoorbeeld zorgen voor vermoeide ogen of korrelig beeld. Ontdek hoe zaken als kijkafstand, de resolutie en de kijkhoek bepalen of een televisie daadwerkelijk in je woonkamer past.

In de felverlichte showroom van de elektronicawinkel lijkt die enorme 75-inch televisie waanzinnig indrukwekkend, maar eenmaal aan de muur in een doorsnee Nederlandse doorzonwoning kan zo'n gapend zwart vlak de ruimte volledig domineren. Veel consumenten denken onterecht dat een groter scherm automatisch garant staat voor een betere kijkervaring, ongeacht de afmetingen van de kamer. Toch is er een harde technische grens waarbij groot verandert in té groot, met hoofdpijn en onscherp beeld als direct gevolg. In dit artikel leer je precies hoe je die grens bepaalt en de ideale televisie kiest.

De kern van het probleem: resolutie en blikveld

Het probleem van een te grote tv is niet alleen esthetisch, maar vooral fysiologisch en technisch. Het draait allemaal om de verhouding tussen de resolutie (het aantal beeldpunten) en je blikveld. Zelfs bij moderne 4K-televisies zijn de pixels niet oneindig klein. Als je een enorm scherm neemt en daar te dicht op zit, trek je het beeld als het ware uit elkaar. Hierdoor verliest het beeld zijn scherpte en samenhang; je hersenen moeten harder werken om de losse informatie tot één geheel te smeden.

Een veelgehoorde misvatting is dat je simpelweg went aan elk formaat. Hoewel de eerste shock van een groot scherm inderdaad verdwijnt, blijft de fysieke belasting overeind. Als een scherm meer dan 40 graden van je horizontale blikveld inneemt, kun je niet meer het hele plaatje in één oogopslag zien. Je ogen moeten dan constant van links naar rechts scannen om de actie te volgen, vergelijkbaar met het kijken naar een tenniswedstrijd vanaf de eerste rij. Dat zorgt voor vermoeide ogen en kan op den duur zelfs leiden tot misselijkheid, ook wel 'cybersickness' genoemd.

©Gorodenkoff

Wanneer werkt een groot formaat wél goed?

Er zijn specifieke scenario's waarin een wandvullend scherm niet alleen kan, maar zelfs de voorkeur heeft. Dat geldt vooral als je de televisie primair gebruikt voor hoogwaardige content. Denk hierbij aan films op 4K Blu-ray of streamingdiensten die uitzenden in de hoogste bitrate, en uiteraard gaming op moderne consoles. In deze gevallen is de bronkwaliteit zo hoog dat je dichterbij kunt zitten zonder fouten in het beeld te zien.

Daarnaast werkt een groot formaat goed als de kijkafstand het toelaat. In moderne woningen met een open plattegrond of een loft-indeling staat de bank vaak wat verder van de muur. Als je kijkafstand meer dan 3 meter is, valt een 55-inch televisie al snel in het niet en moet je turen om details te zien. Een 65-inch of groter model herstelt in dat geval de balans en zorgt voor die gewenste bioscoopervaring, waarbij het scherm groot genoeg is om je onder te dompelen zonder dat je individuele pixels ziet.

Wanneer werkt dit níet goed?

De nadelen van een te grote tv worden pijnlijk duidelijk bij 'gewoon' tv-kijken. Veel lineaire televisieprogramma's, zoals het journaal, talkshows of sportuitzendingen via de kabel, worden niet in 4K uitgezonden, maar in Full HD of zelfs nog lager. Een enorme tv vergroot dat signaal genadeloos uit. Op een te groot scherm zie je dan plotseling ruis, compressieblokjes en onscherpe randen die op een kleiner scherm onzichtbaar zouden blijven. Het beeld oogt daardoor onrustig en rommelig.

Ook in de fysieke ruimte kan het tegenvallen. Een tv die uit staat is een groot, zwart en reflecterend vlak. In een compacte woonkamer zuigt een te groot scherm alle aandacht naar zich toe, zelfs als hij uitstaat. Zoiets verstoort de balans in je interieur en kan de kamer kleiner laten aanvoelen dan hij eigenlijk is. Daarnaast is de plaatsing van sfeerverlichting vaak lastiger; een gigantisch scherm blokkeert lichtinval of reflecteert lampen op een storende manier.

©RDVector

Als je té dicht op je televisie zit, kun je de kleurenleds van elkaar onderscheiden.

Dealbreakers: hier ligt de grens

Er zijn een paar harde grenzen die aangeven dat je beter een maatje kleiner kunt kiezen. Als je een van de onderstaande punten herkent, is dat een duidelijk signaal.

Je moet je hoofd fysiek draaien

Als je tijdens het kijken naar een film ondertiteling leest en daardoor de actie boven in het scherm mist, of als je je nek daadwerkelijk moet draaien om van de linker- naar de rechterhoek te kijken, is het scherm te groot voor je kijkafstand. Je verliest het overzicht.

De tv past fysiek niet op het meubel

Dit klinkt misschien logisch, maar wordt vaak genegeerd. Als de pootjes van de tv net aan op de rand van je tv-meubel balanceren, of als het scherm breder is dan het meubel zelf, oogt dat niet alleen goedkoop, het is ook onveilig. Een scherm dat buiten de kaders van het meubel steekt, is enorm kwetsbaar voor (om)stoten.

Je ziet pixels of rastervorming

Ga op je favoriete plek op de bank zitten. Zie je bij normaal HD-beeld een soort hordeur-effect of individuele blokjes? Dan zit je te dichtbij voor dat specifieke formaat. Dat is geen kwestie van wennen; het is een mismatch tussen resolutie, inch-maat en kijkafstand.

Wat betekent dit voor jouw situatie?

Om te bepalen of een tv past, moet je de rolmaat erbij pakken en even kritisch naar je eigen kijkgedrag kijken. De algemene vuistregel voor 4K-televisies is: meet de afstand van je ogen tot het scherm in centimeters en deel dat door 1,2 tot 1,5. De uitkomst is de ideale schermdiagonaal.

Zit je bijvoorbeeld op 2,5 meter (250 cm) van je scherm? Dan kom je uit op een schermdiagonaal tussen de 166 cm (65 inch) en 208 cm (82 inch). Maar let op: dat geldt alleen voor pure 4K-content. Kijk je veel normale televisie (praatprogramma's, nieuws)? Hanteer dan factor 2. Bij 250 cm afstand kijkt een scherm van 125 cm diagonaal (ongeveer 50 inch) dan vaak prettiger en rustiger. Ben je een fanatieke gamer of filmfanaat? Dan kun je de grens opzoeken. Ben je een casual kijker? Kies dan veilig voor een formaatje kleiner.

©BS | ID.nl

In het kort

Een televisie is te groot wanneer het beeld onscherp oogt of wanneer je fysiek je hoofd moet draaien om alles te kunnen volgen. Hoewel een groot scherm indrukwekkend lijkt, vergroot het bij standaard televisie-uitzendingen ook alle beeldfouten uit. De ideale grootte is een balans tussen kijkafstand en de kwaliteit van wat je kijkt. Meet daarom altijd de afstand tussen bank en muur, en wees realistisch over je kijkgedrag. Zo voorkom je hoofdpijn en blijft tv-kijken ontspannend.

▼ Volgende artikel
Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt
Huis

Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt

Het is ergens in 2025 als Fable voor het eerst, een soort van, getoond wordt. Beelden volgen elkaar in rap tempo op. We zien de dame die de hoofdrol lijkt te spelen, geen HUD en vooral heel veel mooie filmpjes. Daarna begint het wild speculeren, de klachten over het hoofdpersonage, de vraagtekens over de gameplay. Gelukkig was daar gister de Xbox Developer Direct, waar Microsoft eens te meer bewees de code gekraakt te hebben.

Vóór de pandemie, toen de Electronic Entertainment Expo (E3) nog bestond en online showcases, Directs en State of Plays nog niet echt een ding waren, wisten gameboeren hun spellen prima te verkopen. Ontwikkelaars verschenen op het podium tijdens liveshows, praatten over hun games, speelden live een demo (wat net zo vaak goed als faliekant misging) en dergelijke presentaties werden afgewisseld met teasers, hypetrailers en (nog verder terug) zelfs weleens grafieken en verkoopcijfers. Hoe anders is de wereld anno nu.

Watch on YouTube

Trailers vol trailers

Klaar zitten voor The Game Awards, een gemiddelde Direct, Showcase of Summer Game Fest is leuk, maar niet hetzelfde als ‘toen’. Want de formule is inmiddels bekend. Een half uur, een uurtje, een paar uur lang wordt er de ene na de andere trailer op je hersenen afgevuurd. Wat is ‘reclame’ en wat niet? Geen idee. Standaard zijn de animegames die elkaar zo rap opvolgen dat de gemiddelde kijker niet eens meer weet waar de ene game begint en de ander ophoudt. Meestal zit er een klapper aan het begin, waarna het grote wachten op de klapper aan het einde begint.

Vraag iemand een week later wat ie gezien heeft, en meer dan de helft van de getoonde games is waarschijnlijk uit het geheugen verdwenen.  En al die flarden van beelden zonder fatsoenlijke uitleg leiden vaker wel dan niet tot hetzelfde als die ene soort van trailer van Fable: speculaties, wild geroep en vraagtekens. Het komt de online discussie rondom games niet ten goede.

©Playground Games

Hoe anders was de inmiddels traditionele Xbox Developer Direct. Langer dan een uur, voor maar vier games. Die games kregen zodoende alle tijd, net als de ontwikkelaars. Gameplaybeelden zijn niet aan te slepen, verscheidene modi worden uitgebreid besproken en zelfs de kleinste details krijgen meer dan genoeg ademruimte. Zo horen we tijdens de Forza Horizon 6-presentatie dat het nummer van je eigen hangar (78) gekozen is omdat de game zich afspeelt in Japan, en die cijfers daar een positieve lading hebben. Fijn om te horen hoe scherp het oog voor detail van een ontwikkelaar is. Dat zegt iets over het project. En het is ook iets wat je never nooit in een hypetrailer van anderhalve minuut langs had zien komen.

Trailers vol trailers

En dus zit ik gisteravond te genieten. Niet eens per se van de games, want ze vallen net niet in mijn straatje. Forza Horizon 6 vind ik héél indrukwekkend en de game zal ongetwijfeld miljoenen spelers perfect bedienen, maar ik ben niet zo van het racen. Game Freak - de makers van Pokémon die eindelijk hun vleugels uitslaan met graphics uit dit decennium - komen met Beast of Reincarnation. Het ziet er oké uit. Double Fine vindt in mij ook geen fan en een multiplayer-pottenbakgame (Kiln) is niet iets wat hoog op mijn lijstje stond. Zelfs afsluiter Fable wist me met z’n levenssimulaties ook niet te overtuigen. Maar, nogmaals, wat heb ik genoten. Van ontwikkelaars die ruim de tijd kregen. Van de games, die van alle kanten belicht werden. Van de antwoorden die we kregen.

©Playground Games

Want wat ik nou precies van die games vond, is niet eens zo heel belangrijk. Veel belangrijker is dat iedereen dit keer in ieder geval een uitgebreid beeld kreeg van wat deze games nu precies worden. Een Xbox Developer Direct creëert geen valse hype. Van die vier getoonde games, weten we nu eigenlijk alles wat we redelijkerwijs moeten weten. Zoals bijvoorbeeld dat Fable een character creation-modus heeft, om maar iets te noemen. En plots zie je de discussies rondom de games gaan om… de inhoud. En niet op wilde speculaties rondom hoofdpersonages die helemaal niet vast blijken te staan. Love it.