ID.nl logo
Netgear Orbi RBK40 en RBK30 – Goede prestaties voor een lagere prijs
© Reshift Digital
Huis

Netgear Orbi RBK40 en RBK30 – Goede prestaties voor een lagere prijs

In onze eerdere vergelijkende test van wifi-systemen beloonden we Netgears Orbi met het keurmerk Best Getest. Orbi was tegelijkertijd wel het duurste systeem. Met de onlangs geïntroduceerde RBK40 en RBK30 brengt Netgear Orbi naar een goedkoper prijspunt, de sets kosten respectievelijk 345,50 en 329 euro. Wat is het verschil met de duurdere uitvoering van Orbi?

Netgears vorig jaar geïntroduceerde Orbi is een indrukwekkend wifi-systeem dat we eerder beloonden met een Best Getest-keurmerk. Orbi is tegelijkertijd wel één van duurdere systemen op de markt. Met de RBK40 en RBK30 biedt Netgear twee goedkopere Orbi-sets aan. De router met typenummer RBR40 is in beide sets hetzelfde. Net als de eerdere Orbi-router biedt de RBR40 een gigabit wan-aansluiting aangevuld met drie gigabit lan-aansluitingen. Wat we missen ten opzichte van de eerdere Orbi-router is een usb-aansluiting. Die heeft tot nu toe echter geen functionaliteit gekregen, dus je mist eigenlijk niks. De vormgeving is vrijwel identiek ten opzichte van de al bestaande Orbi, alleen is de nieuwe variant een stuk kleiner.

©PXimport

Verschillende satellieten

Het verschil tussen beide nieuw geïntroduceerde sets zit in de satellieten. De RBK40 komt met de satelliet RBS40. Deze satelliet heeft dezelfde behuizing als de router en is voorzien van vier netwerkaansluitingen. In alles is de RKB40 dan ook een goedkopere uitvoering van de eerder verschenen duurdere Orbi met typenummer RBK50. De tweede nieuwe set met typenummer RBK30 heeft met de RBW30 een totaal anders uitgevoerde satelliet. In plaats van een torentje steek je de RBW30 net als bijvoorbeeld een wifi-repeater direct in het stopcontact. Voor een stopcontact unit is de RBW30 met een hoogte van 16 en een breedte van 8 centimeter wel erg fors. Ten opzichte van de andere nodes mist deze kleinere satelliet netwerkaansluitingen, je kunt hem dus niet als draadloze bridge inzetten. Je krijgt met de RBK30 dus iets minder functionaliteit dan de andere Orbi-sets. Bovendien vinden wij de ‘repeater-stijl’ qua plaatsing minder handig dan de torentjes, maar dat is voor een gedeelte persoonlijk.

©PXimport

Langzamere onderlinge link

Het grote verschil met de eerste uitvoering van Orbi is dat de nieuwe goedkopere sets gebruik maken van AC2200- in plaats van AC3000-technologie. Net als AC3000 is AC2200 een zogenoemd tri-bandsysteem dat voorzien is van drie radio’s. Het gaat om twee 802.11ac 5GHz-radio’s aangevuld met een 802.11n 2,4GHz-radio. Clients maken verbinding met de 2,4GHz-radio en de eerste 5GHz-radio. Beide radio’s ondersteunen twee datastromen voor een maximale theoretische snelheid van 400 en 867 Mbit/s. De tweede 5GHz-radio wordt niet gebruikt voor contact met de clients, maar voor de onderlinge link tussen de nodes. Bij de in dit artikel geteste goedkopere variant van Orbi is deze tweede 5GHz-radio eveneens een exemplaar met twee datastromen voor een theoretische snelheid van 867 Mbit/s. Tel je deze snelheden op, dan kom je ongeveer op 2200 Mbit/s oftewel AC2200. De duurdere al bestaande Orbi die nu het topmodel in de reeks is, maakt voor de onderlinge link tussen de nodes gebruik van een 802,.11ac-radio met vier datastomen en een theoretische snelheid van 1733 Mbit/s. Tel je de snelheden dan op, dan kom je op 3000 Mbit/s oftewel AC3000. AC2200 is overigens nieuw, ook Linksys’ Velop maakt gebruik van AC2200-technologie. Bij Linksys is echter niet per se één van de radio’s gereserveerd voor de onderlinge link, maar wordt dynamisch bepaald welke radio gebruikt wordt voor de onderlinge link.

©PXimport

Uitgebreide router

Qua mogelijkheden zijn de goedkopere uitvoeringen gelijkwaardig aan de duurdere Orbi. Je krijgt dus nog steeds een relatief uitgebreide webinterface die zich qua mogelijkheden kan meten met de betere normale routers. Zo is Orbi voorzien van een vpn-server. Net als hun grote broer kun je de goedkopere Orbi’s behalve als router ook inzetten als accesspointsysteem waarbij je een eigen router gebruikt als basis voor je netwerk. Ten opzichte van andere systemen in de markt valt op dat de app qua mogelijkheden achterloopt. Bij een geconfigureerd Orbi-systeem kun je met de app niet veel meer dan het aanpassen van het wifi-wachtwoord. Wel kun je de app tegenwoordig gebruiken om het systeem in gebruik te nemen. Toen de eerste variant van Orbi op de markt verscheen, was er overigens helemaal geen app. Andere wifi-systemen hebben echter geen webinterface waardoor Orbi uiteindelijk de meeste mogelijkheden biedt en ook de wat enthousiastere netwerkliefhebber zal aanspreken.

©PXimport

Prestaties

Om de prestaties van de Orbi-sets te achterhalen, hebben we de set getest over twee verdiepingen. Op dezelfde verdieping als de router halen we een snelheid van 431 Mbit/s. Op de verdieping waar de satelliet zich bevindt we gemiddeld 333 Mbit/s halen. We hebben geen significante verschillen kunnen ontdekken in de prestaties tussen de RBK40 en de RBK30. Beide satellieten maken gebruik van AC2200-technologie en hebben dezelfde radioconfiguratie aan boord. Wel heeft de RBW30 minder geheugen en is de dekking volgens Netgear iets minder. De antennes zullen door de compactere behuizing dus net wat minder optimaal zijn, maar dat zien we niet terug in onze testomgeving. Het valt op dat deze goedkopere Orbi-sets over een verdieping heen dicht in de buurt komt bij de duurdere Orbi-set. Het is overigens geen verrassing dat de prestaties op dezelfde verdieping als de router gelijkwaardig zijn ten opzichte van de duurdere Orbi. De clientradio is eveneens een 802.11ac-variant met twee datastromen en een theoretische snelheid van 867 Mbit/s. Wat ons wel verrast is dat de snelheid op een andere verdieping niet veel langzamer is dan die van de duurdere Orbi-set.

Prestaties met twee satellieten

We hebben de nieuwe Orbi ook in combinatie met twee satellieten getest (RBS40 en RBW30) in zowel het sterscenario als het meshscenario dat we in onze eerdere test gebruikt hebben. In een sterscenario met de router op de eerste verdieping halen we op zolder 348 Mbit/s en op de begane grond 319 Mbit/s waarbij de router op de eerste verdieping staat. Deze goedkopere Orbi presteert in een sterscenario beter dan Linksys’ Velop dat eveneens gebruik maakt van AC2200-technologie.

We hebben de AC2200-technologie ook in onze ‘meshconfiguratie’ getest waarbij we de router op de begane grond plaatsen en vervolgens een node op de eerste verdieping en zolder plaatsen. Orbi ondersteunt echter (nog) geen mesh en de satelliet op zolder moet dus twee verdiepingen overbruggen om contact te maken met de router. In deze configuratie is het systeem wel meetbaar minder krachtig dan de duurdere set op basis van de AC3000-technologie. Waar we met de duurdere uitvoering van de Orbi over twee verdiepingen heen een snelheid van 110 Mbit/s kunnen halen, is dat bij deze Orbi’s slechts 41 Mbit/s. We verwachten dat zodra Orbi ondersteuning krijgt voor een meshconfiguratie er eveneens verschil tussen de duurdere AC3000-technologie en de goedkopere AC2200-technologie zichtbaar zal zijn.

Conclusie

Netgear had met Orbi een indrukwekkend wifi-systeem op de markt en eigenlijk blijken de kleinere broers vrijwel net zo goed. Netgear zet met de RBK40 en RBK30 dus prima goedkopere uitvoeringen van de eerdere Orbi neer. In de praktijktest benaderen ze de prestaties van de duurdere set en presteren ze beter dan bijvoorbeeld Linksys’ Velop dat gebruik maakt van vergelijkbare AC2200-technologie. Ben je kortom op zoek naar een set waarmee je twee verdiepingen van je huis wil afdekken, dan heb je aan de RBK40 of RBK30 in ieder geval een prima koop. Wil je op meer plekken in je huis een node, dan zou het handig zijn als Netgear meshondersteuning toevoegt. Zonder meshondersteuning zou je de router op de middelste verdieping van je huis moeten zetten en dat ondermijnt een beetje het grote voordeel van een draadloos wifi-systeem: geen kabels trekken. De losse satellieten zijn binnenkort los te koop en dat is wellicht het moment dat Netgear meshondesteuning introduceert. Je kunt dan overigens ook ‘mix and matchen’ en bijvoorbeeld de duurdere Orbi-set uitbreiden met één van de nieuwe goedkoperere satellieten.

Uitstekend
Conclusie

**Prijs:** € 329,- (RBK30), € 345,50 (RBK40) **Geheugen:** 512 MB RAM en 4 GB flashopslag (RBR40 en RBS40), 256 MB RAM en 256 MB flashopslag (RBW30) **Aansluitingen router:** WAN-aansluiting (gigabit), 3 x 10/100/1000-netwerkaansluiting **Aansluitingen satelliet:** 4 x 10/100/1000-netwerkaansluiting (RBS40) **Draadloos:** 802.11b/g/n/ac (twee antennes per frequentieband, maximaal 866 Mbit/s) met beamforming en MU-MIMO **Draadloze link naar satelliet:** 802.11ac (twee antennes, maximaal 866 Mbit/s) **Afmetingen:** 16,7 x 8,3 x 20,4 cm (RBR40 en RBS40), 8,4 x 7,6 x 16,1 cm (RBW30) **Website:** [www.netgear.nl](http://www.netgear.nl/home/products/networking/orbi/)

Plus- en minpunten
  • Accesspoint-modus
  • Uitgebreide routermogelijkheden
  • Goede prestaties
  • Beperkte app
  • Alleen sterconfiguratie
▼ Volgende artikel
Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?
Huis

Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?

Iedereen droomt weleens van een thuisbioscoop, maar groter is niet altijd beter. Een te groot scherm kan bijvoorbeeld zorgen voor vermoeide ogen of korrelig beeld. Ontdek hoe zaken als kijkafstand, de resolutie en de kijkhoek bepalen of een televisie daadwerkelijk in je woonkamer past.

In de felverlichte showroom van de elektronicawinkel lijkt die enorme 75-inch televisie waanzinnig indrukwekkend, maar eenmaal aan de muur in een doorsnee Nederlandse doorzonwoning kan zo'n gapend zwart vlak de ruimte volledig domineren. Veel consumenten denken onterecht dat een groter scherm automatisch garant staat voor een betere kijkervaring, ongeacht de afmetingen van de kamer. Toch is er een harde technische grens waarbij groot verandert in té groot, met hoofdpijn en onscherp beeld als direct gevolg. In dit artikel leer je precies hoe je die grens bepaalt en de ideale televisie kiest.

De kern van het probleem: resolutie en blikveld

Het probleem van een te grote tv is niet alleen esthetisch, maar vooral fysiologisch en technisch. Het draait allemaal om de verhouding tussen de resolutie (het aantal beeldpunten) en je blikveld. Zelfs bij moderne 4K-televisies zijn de pixels niet oneindig klein. Als je een enorm scherm neemt en daar te dicht op zit, trek je het beeld als het ware uit elkaar. Hierdoor verliest het beeld zijn scherpte en samenhang; je hersenen moeten harder werken om de losse informatie tot één geheel te smeden.

Een veelgehoorde misvatting is dat je simpelweg went aan elk formaat. Hoewel de eerste shock van een groot scherm inderdaad verdwijnt, blijft de fysieke belasting overeind. Als een scherm meer dan 40 graden van je horizontale blikveld inneemt, kun je niet meer het hele plaatje in één oogopslag zien. Je ogen moeten dan constant van links naar rechts scannen om de actie te volgen, vergelijkbaar met het kijken naar een tenniswedstrijd vanaf de eerste rij. Dat zorgt voor vermoeide ogen en kan op den duur zelfs leiden tot misselijkheid, ook wel 'cybersickness' genoemd.

©Gorodenkoff

Wanneer werkt een groot formaat wél goed?

Er zijn specifieke scenario's waarin een wandvullend scherm niet alleen kan, maar zelfs de voorkeur heeft. Dat geldt vooral als je de televisie primair gebruikt voor hoogwaardige content. Denk hierbij aan films op 4K Blu-ray of streamingdiensten die uitzenden in de hoogste bitrate, en uiteraard gaming op moderne consoles. In deze gevallen is de bronkwaliteit zo hoog dat je dichterbij kunt zitten zonder fouten in het beeld te zien.

Daarnaast werkt een groot formaat goed als de kijkafstand het toelaat. In moderne woningen met een open plattegrond of een loft-indeling staat de bank vaak wat verder van de muur. Als je kijkafstand meer dan 3 meter is, valt een 55-inch televisie al snel in het niet en moet je turen om details te zien. Een 65-inch of groter model herstelt in dat geval de balans en zorgt voor die gewenste bioscoopervaring, waarbij het scherm groot genoeg is om je onder te dompelen zonder dat je individuele pixels ziet.

Wanneer werkt dit níet goed?

De nadelen van een te grote tv worden pijnlijk duidelijk bij 'gewoon' tv-kijken. Veel lineaire televisieprogramma's, zoals het journaal, talkshows of sportuitzendingen via de kabel, worden niet in 4K uitgezonden, maar in Full HD of zelfs nog lager. Een enorme tv vergroot dat signaal genadeloos uit. Op een te groot scherm zie je dan plotseling ruis, compressieblokjes en onscherpe randen die op een kleiner scherm onzichtbaar zouden blijven. Het beeld oogt daardoor onrustig en rommelig.

Ook in de fysieke ruimte kan het tegenvallen. Een tv die uit staat is een groot, zwart en reflecterend vlak. In een compacte woonkamer zuigt een te groot scherm alle aandacht naar zich toe, zelfs als hij uitstaat. Zoiets verstoort de balans in je interieur en kan de kamer kleiner laten aanvoelen dan hij eigenlijk is. Daarnaast is de plaatsing van sfeerverlichting vaak lastiger; een gigantisch scherm blokkeert lichtinval of reflecteert lampen op een storende manier.

©RDVector

Als je té dicht op je televisie zit, kun je de kleurenleds van elkaar onderscheiden.

Dealbreakers: hier ligt de grens

Er zijn een paar harde grenzen die aangeven dat je beter een maatje kleiner kunt kiezen. Als je een van de onderstaande punten herkent, is dat een duidelijk signaal.

Je moet je hoofd fysiek draaien

Als je tijdens het kijken naar een film ondertiteling leest en daardoor de actie boven in het scherm mist, of als je je nek daadwerkelijk moet draaien om van de linker- naar de rechterhoek te kijken, is het scherm te groot voor je kijkafstand. Je verliest het overzicht.

De tv past fysiek niet op het meubel

Dit klinkt misschien logisch, maar wordt vaak genegeerd. Als de pootjes van de tv net aan op de rand van je tv-meubel balanceren, of als het scherm breder is dan het meubel zelf, oogt dat niet alleen goedkoop, het is ook onveilig. Een scherm dat buiten de kaders van het meubel steekt, is enorm kwetsbaar voor (om)stoten.

Je ziet pixels of rastervorming

Ga op je favoriete plek op de bank zitten. Zie je bij normaal HD-beeld een soort hordeur-effect of individuele blokjes? Dan zit je te dichtbij voor dat specifieke formaat. Dat is geen kwestie van wennen; het is een mismatch tussen resolutie, inch-maat en kijkafstand.

Wat betekent dit voor jouw situatie?

Om te bepalen of een tv past, moet je de rolmaat erbij pakken en even kritisch naar je eigen kijkgedrag kijken. De algemene vuistregel voor 4K-televisies is: meet de afstand van je ogen tot het scherm in centimeters en deel dat door 1,2 tot 1,5. De uitkomst is de ideale schermdiagonaal.

Zit je bijvoorbeeld op 2,5 meter (250 cm) van je scherm? Dan kom je uit op een schermdiagonaal tussen de 166 cm (65 inch) en 208 cm (82 inch). Maar let op: dat geldt alleen voor pure 4K-content. Kijk je veel normale televisie (praatprogramma's, nieuws)? Hanteer dan factor 2. Bij 250 cm afstand kijkt een scherm van 125 cm diagonaal (ongeveer 50 inch) dan vaak prettiger en rustiger. Ben je een fanatieke gamer of filmfanaat? Dan kun je de grens opzoeken. Ben je een casual kijker? Kies dan veilig voor een formaatje kleiner.

©BS | ID.nl

In het kort

Een televisie is te groot wanneer het beeld onscherp oogt of wanneer je fysiek je hoofd moet draaien om alles te kunnen volgen. Hoewel een groot scherm indrukwekkend lijkt, vergroot het bij standaard televisie-uitzendingen ook alle beeldfouten uit. De ideale grootte is een balans tussen kijkafstand en de kwaliteit van wat je kijkt. Meet daarom altijd de afstand tussen bank en muur, en wees realistisch over je kijkgedrag. Zo voorkom je hoofdpijn en blijft tv-kijken ontspannend.

▼ Volgende artikel
Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt
Huis

Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt

Het is ergens in 2025 als Fable voor het eerst, een soort van, getoond wordt. Beelden volgen elkaar in rap tempo op. We zien de dame die de hoofdrol lijkt te spelen, geen HUD en vooral heel veel mooie filmpjes. Daarna begint het wild speculeren, de klachten over het hoofdpersonage, de vraagtekens over de gameplay. Gelukkig was daar gister de Xbox Developer Direct, waar Microsoft eens te meer bewees de code gekraakt te hebben.

Vóór de pandemie, toen de Electronic Entertainment Expo (E3) nog bestond en online showcases, Directs en State of Plays nog niet echt een ding waren, wisten gameboeren hun spellen prima te verkopen. Ontwikkelaars verschenen op het podium tijdens liveshows, praatten over hun games, speelden live een demo (wat net zo vaak goed als faliekant misging) en dergelijke presentaties werden afgewisseld met teasers, hypetrailers en (nog verder terug) zelfs weleens grafieken en verkoopcijfers. Hoe anders is de wereld anno nu.

Watch on YouTube

Trailers vol trailers

Klaar zitten voor The Game Awards, een gemiddelde Direct, Showcase of Summer Game Fest is leuk, maar niet hetzelfde als ‘toen’. Want de formule is inmiddels bekend. Een half uur, een uurtje, een paar uur lang wordt er de ene na de andere trailer op je hersenen afgevuurd. Wat is ‘reclame’ en wat niet? Geen idee. Standaard zijn de animegames die elkaar zo rap opvolgen dat de gemiddelde kijker niet eens meer weet waar de ene game begint en de ander ophoudt. Meestal zit er een klapper aan het begin, waarna het grote wachten op de klapper aan het einde begint.

Vraag iemand een week later wat ie gezien heeft, en meer dan de helft van de getoonde games is waarschijnlijk uit het geheugen verdwenen.  En al die flarden van beelden zonder fatsoenlijke uitleg leiden vaker wel dan niet tot hetzelfde als die ene soort van trailer van Fable: speculaties, wild geroep en vraagtekens. Het komt de online discussie rondom games niet ten goede.

©Playground Games

Hoe anders was de inmiddels traditionele Xbox Developer Direct. Langer dan een uur, voor maar vier games. Die games kregen zodoende alle tijd, net als de ontwikkelaars. Gameplaybeelden zijn niet aan te slepen, verscheidene modi worden uitgebreid besproken en zelfs de kleinste details krijgen meer dan genoeg ademruimte. Zo horen we tijdens de Forza Horizon 6-presentatie dat het nummer van je eigen hangar (78) gekozen is omdat de game zich afspeelt in Japan, en die cijfers daar een positieve lading hebben. Fijn om te horen hoe scherp het oog voor detail van een ontwikkelaar is. Dat zegt iets over het project. En het is ook iets wat je never nooit in een hypetrailer van anderhalve minuut langs had zien komen.

Trailers vol trailers

En dus zit ik gisteravond te genieten. Niet eens per se van de games, want ze vallen net niet in mijn straatje. Forza Horizon 6 vind ik héél indrukwekkend en de game zal ongetwijfeld miljoenen spelers perfect bedienen, maar ik ben niet zo van het racen. Game Freak - de makers van Pokémon die eindelijk hun vleugels uitslaan met graphics uit dit decennium - komen met Beast of Reincarnation. Het ziet er oké uit. Double Fine vindt in mij ook geen fan en een multiplayer-pottenbakgame (Kiln) is niet iets wat hoog op mijn lijstje stond. Zelfs afsluiter Fable wist me met z’n levenssimulaties ook niet te overtuigen. Maar, nogmaals, wat heb ik genoten. Van ontwikkelaars die ruim de tijd kregen. Van de games, die van alle kanten belicht werden. Van de antwoorden die we kregen.

©Playground Games

Want wat ik nou precies van die games vond, is niet eens zo heel belangrijk. Veel belangrijker is dat iedereen dit keer in ieder geval een uitgebreid beeld kreeg van wat deze games nu precies worden. Een Xbox Developer Direct creëert geen valse hype. Van die vier getoonde games, weten we nu eigenlijk alles wat we redelijkerwijs moeten weten. Zoals bijvoorbeeld dat Fable een character creation-modus heeft, om maar iets te noemen. En plots zie je de discussies rondom de games gaan om… de inhoud. En niet op wilde speculaties rondom hoofdpersonages die helemaal niet vast blijken te staan. Love it.