ID.nl logo
20 X570-moederborden voor AMD Ryzen-processors getest
© Reshift Digital
Zekerheid & gemak

20 X570-moederborden voor AMD Ryzen-processors getest

Met de derde generatie Ryzen-processors heeft AMD met de AMD Ryzen 5 3600 en Ryzen 5 2600 momenteel de interessantste processors op de markt in handen. Om het maximale eruit te halen, heb je een van de nieuwe moederborden met X570-chipset nodig. Wij legden twintig moederborden op de pijnbank en zochten voor jou de beste exemplaren uit.

Voordat we ons verdiepen in de X570-moederborden is het belangrijk stil te staan bij de vraag of je wel een relatief duur X570-moederbord nodig hebt. De verschillen tussen de nieuwe X570- en de oudere X470- en B450-chipsets, waar de nieuwe Ryzen-processors ook compatibel mee zijn, zijn namelijk niet heel groot. De X570-chipset biedt meer snelle usb 3.2 Gen 2-poorten, voorheen usb 3.1, wat vooral handig is voor veel snelle externe opslag. Tevens is het de eerste chipset die pci-express 4.0 ondersteunt, al zijn er vooralsnog weinig pci-e 4.0-devices, met uitzondering van nog snellere ssd’s.

Deze relatief prijzige AMD X570-moederborden zijn dus vooral interessant voor een mid- of high-end systeem, of als je overweegt de komende jaren een high-end videokaart toe te voegen. Voor eenvoudigere wensen zijn B450- en X470-borden een prima keuze.

Er resteren nog vier grote fabrikanten die moederborden maken

-

Waar moet je écht op letten?

Er resteren nog vier grote fabrikanten als het op moederborden aankomt: ASRock, ASUS, Gigabyte en MSI. Zij kopen de X570-chipset van AMD en bouwen daar elk hun eigen product omheen, met verschillende specificaties en prijspunten. Zaken als het bios, de software en de stroomvoorziening variëren sterk per merk. Daarom bespreken we eerst de inherente voor- en nadelen van elke fabrikant, alvorens we de echte uitschieters uitlichten.

Het is vooral zaak om je eigen subjectieve wensen in kaart te brengen. Hoeveel m.2-ssd’s of sata-schijven ga je gebruiken, hoeveel ventilatoren of rgb-accessoires wil je aansluiten, hoeveel rgb-headers heb je nodig, welke (usb-)aansluitingen heeft je behuizing, hoeveel usb-poorten wil je achterop en wat zijn je eisen op gebied van wifi of sneller netwerken? We waarderen moederborden die veel bieden voor hun prijs, maar leg jouw eigen eisen goed naast onze tabel voordat je de knoop doorhakt.

Zo testen we

Onze testconfiguratie bestaat uit een AMD Ryzen 7 3700X, G.Skill Trident Z Royal 3600 MHz 16 GB (2x 8 GB), Seasonic Prime Titanium 850W-voeding en Samsung 970 Evo Plus-ssd. We testen moederborden door alle instellingen voor de cpu en het geheugen gelijk te trekken, zo voorkomen we dat ‘handige trucjes’ (c.q. valsspelen) op een moederbord de processor voorbij zijn officiële specificaties pushen. Prestaties tussen moederborden verschillen soms enkele procenten per sample van hetzelfde bord. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat kleine verschillen in de resultaten in de tabel (1-3 procent) leiden tot daadwerkelijk significant andere resultaten bij de eindgebruiker. Testresultaten dienen dan ook primair om structurele problemen te ontdekken.

ASUS

Vooral wat bios en bijbehorende software betreft, heeft ASUS een duidelijke voorsprong op de concurrentie. En omdat de prestatieverschillen tussen de twintig geteste moederborden bij gelijke instellingen verwaarloosbaar zijn, levert een dergelijke voorsprong in de praktijk een groot voordeel op.

De keerzijde is dat ASUS zich van dat voordeel bewust lijkt en moederborden die functioneel verder gelijkwaardig zijn voor een hogere prijs verkoopt. Vooral aan de onderkant van de markt is dat merkbaar, want zowel de Prime X570-P (199 euro, niet getest) als de Prime X570-PRO (279 euro) biedt in vergelijking met directe tegenhangers relatief weinig aansluitingen. Zo beschikken deze borden over een beperkt aantal interne usb-headers voor je behuizing.

ASUS is traditioneel wel sterk wat de stroomvoorziening (VRM) betreft en de opbouw van zijn X570-borden is ruim genoeg, vanaf de Prime X570-PRO zelfs zeer goed. Dat maakt de moederborden ook geschikt voor AMD’s 16-core Ryzen 9 3950X, die later dit jaar verschijnt. Hierdoor bieden alle ASUS-borden objectief gezien een goede ervaring, zolang de geboden mogelijkheden maar aan je eisen voldoen. Ook de uitstraling geeft deze moederborden iets extra’s.

ASUS komt pas echt op dreef in het luxere segment, waar de fabrikant enkele complexere features heeft toegevoegd. Overklokkers, tweakers en liefhebbers van aangepaste waterkoeling zoeken het beste moederbord voor hun doeleinden en de prijs is dan secundair. De ROG Crosshair VIII Hero (429 euro) heeft veel fan-headers, speciale headers voor je waterkoeling, extra knoppen voor (extreem) overklokken, een uitstekende stroomvoorziening om elke cpu tot het uiterste te pushen en dat ondersteund door het meest uitgebreide bios op de markt. Zolang de prijs geen bezwaar vormt, is dit hét X570-bord voor liefhebbers. Wil je waterkoeling gebruiken en twijfel je over de nog duurdere ROG Crosshair VIII Formula (599 euro)? De toevoeging van een EK-waterblok op dezelfde basis als de Hero klinkt leuk, maar biedt te weinig objectieve meerwaarde om de 170 euro hogere prijs te verantwoorden.

De ROG Strix X570-E (335 euro) is eventueel interessant als voordeligste moederbord met snelle 2,5 Gbit/s netwerkverbinding.

©PXimport

Gigabyte

Gigabyte heeft misschien wel het sterkste X570-aanbod. Zijn instapper, de X570 Gaming X (189 euro), laten we gezien de duidelijke besparingen liever links liggen, maar vanaf de X570 Aorus Elite (209 euro) zien we stuk voor stuk degelijke, aantrekkelijke borden met een betrouwbare stroomvoorziening en een collectie aansluitingen die op praktisch elk prijspunt ruimer is dan bij de concurrentie. Als je moederbord combinaties van rgb-verlichte componenten moet aansturen, verdient ASUS de voorkeur. Maar zodra dat geen overweging is, voert Gigabyte op elk prijspunt de boventoon.

De X570 Aorus Elite is zelfs zo compleet dat we voor de meeste gebruikers geen reden zien om meer uit te geven. Je krijgt een degelijke stroomvoorziening, een 10 Gbit/s netwerkverbinding, ruim voldoende rgb- en argb-headers, tien usb-poorten achterop en genoeg interne headers voor behuizingen met vier usb-poorten voorop of zelfs usb-c, iets wat geen enkele concurrent op dit prijspunt doet.

Overklokkers kunnen de iets duurdere X570 Aorus Pro (269 euro) overwegen voor de probleemdiagnosefuncties, extra fan-headers en de wat betere stroomvoorziening, en de X570 Aorus Ultra (319 euro) is een van de meer betaalbare opties met drie m.2-sloten.

De X570 Aorus Master (389 euro) in het high-end segment is van een heel andere orde: deze heeft een van de beste VRM’s op de markt, 2,5 Gbit/s netwerkverbinding, wifi 6 (oftewel 802.11ax) en een derde m.2-slot boven op de reeds goede combinatie van mogelijkheden. Daarmee is dit een sterke concurrent voor de ASUS Hero, MSI Ace en ASRock Phantom Gaming X. Tenminste, als je de beste borden op de markt overweegt.

©PXimport

Objectief bekeken zou je de X570 Aorus Xtreme eigenlijk het beste bord op de markt kunnen noemen. Maar omdat een prijs van 699 euro voor een moederbord lastig te verdedigen is, noemen we het vooral een paradepaardje waarmee Gigabyte laat zien waar het toe in staat is. Indrukwekkend is hij wel, met zijn extreme 16-fase VRM, de overdaad aan aansluitingen en de aanwezigheid van een extra externe controller waar je nog eens acht fans, rgb- of argb-accessoires op aan kunt sluiten. Bovendien functioneert het hele moederbord als heatsink voor alle componenten, waardoor dit het enige bord is zonder actieve ventilator. Staat er een geldboom in je tuin? Zoek dan niet verder.

De Aorus X570 I Pro WiFi (239 euro) is interessant, omdat deze op dit moment het enige mini-itx-moederbord op de markt is. Bovendien is dit model zeer solide en niet exorbitant geprijsd voor een X570-bord. Het enige serieuze bezwaar is het totaal van slechts zes usb-poorten.

©PXimport

Actieve fans?

Met uitzondering van de Gigabyte X570 Aorus Xtreme is bij elk X570-moederbord een ventilator op de chipset gemonteerd om deze te koelen. De geluidsproductie van deze ventilatoren is minimaal, waardoor je je geen zorgen hoeft te maken over geluidsoverlast. Gigabyte en MSI bieden wel de optie om de ventilator stil te zetten totdat hij echt nodig is. In theorie vinden we dat een voordeel, omdat we hierdoor de kans op slijtage op lange termijn lager inschatten.

MSI

MSI heeft het kleinste X570-aanbod, maar dat is geen nadeel. In plaats van elk prijspunt proberen te vullen met een al dan niet interessante optie, richt MSI zich op wat duidelijkere doelgroepen. De doelgroep van het goedkoopste bord in onze test, de MSI X570-A PRO (179 euro), is eenvoudig te raden: wil je zo min mogelijk uitgeven, dan is dit een serieuze optie.

Op de totale kosten van je pc is de besparing ten opzichte van de op alle fronten betere en uitgebreidere X570 Aorus Elite lastig te verdedigen, maar als elk tientje je lief is en de basale mogelijkheden voldoen, is de X570-A Pro wel het overwegen waard. Dat kunnen we helaas niet zeggen van de MSI X570 Gaming Pro Carbon WiFi (279 euro): die is voor dit prijspunt iets te zuinig met aansluitingen. Wifi 6 (oftewel 802.11ax) is weliswaar een leuke extra in dit segment, maar kun je ook los voor zo’n 20 euro toevoegen aan menig goedkoper bord.

MSI’s high-end MEG X570 ACE (389 euro) is objectief gezien wel een uitstekend moederbord. Net als zijn directe concurrentie is hij heel compleet, zeer degelijk, beschikt hij over een uitstekende stroomvoorziening en uiteraard ontbreken ook de nodige visuele toeters en bellen niet. Alleen het aantal usb-poorten achterop vinden we voor dit prijspeil aan de karige kant.

Hoewel MSI ook de bijna 800 euro kostende X570 Godlike aanbiedt, viel ons oog op de forse (eatx) Prestige X570 Creation. Met 499 euro is hij verre van goedkoop, maar daar staan meer usb-poorten tegenover dan je op elk ander X570-bord zult aantreffen. Dankzij een meegeleverde insteekkaart biedt hij bovendien vier m.2-sloten: een record. Ook is dit het voordeligste bord met 10 Gbit/s netwerkverbinding, wat de Prestige X570 Creation een echt high-end workstationbord maakt voor de veeleisende professional die de meerprijs met zijn of haar werk terug weet te verdienen.

©PXimport

ASRock

ASRock staat normaliter bekend om zijn goede prijs-kwaliteitverhouding. Zijn RGB Software, mocht je daar om geven, is een draak vergeleken met die van ASUS. Maar als je gewoon goede hardware zoekt voor een redelijke prijs, dan komt ASRock al jarenlang positief naar voren.

Met veel sterke opties op de markt is het niet eenvoudig om jezelf te onderscheiden. De X570 Extreme4 (189 euro) en de X570 Steel Legend (224 euro) bieden op zich een gebalanceerde set mogelijkheden voor hun prijs, maar kunnen net als alle andere borden onder de 250 euro lastig opboksen tegen de sterke Gigabyte X570 Aorus Elite. Ze moeten het dan vooral hebben van wat extra fan-headers en het feit dat ASRock zijn borden heeft voorbereid op een wifi-uitbreiding. Mocht je dat willen, dan kun je voor circa twee tientjes wifi 6 (oftewel 802.11ax) aan deze borden toevoegen met de Intel AX200-chip. De Steel Legend is ook het voordeligste bord met acht sata-poorten voor de echte datavreter.

De X570 Taichi (325 euro) biedt met fysieke knoppen wel iets unieks op zijn prijspunt: fijn als je frequent met je moederbord werkt zonder behuizing. Dat komt boven op een prima totaalplaatje met onder andere goede VRM’s, wifi 6, drie m.2-sloten en wederom die acht sata-poorten. Toch kun je je afvragen of goedkopere opties niet voldoende zijn. Of misschien wil je juist wat luxers, bijvoorbeeld een bord met een snellere netwerkaansluiting.

Dat is waar de X570 Phantom Gaming X (379 euro) om de hoek komt kijken. Feitelijk is dit hetzelfde moederbord als de Taichi, maar dan met een iets ander likje verf en een 2,5 Gbit/s netwerkpoort. Ook de Phantom Gaming X bestaat uit uitstekende componenten, al blijft de totale lijst met aansluitingen wederom op een paar punten achter bij onder meer de Aorus Master. Dat brengt hem in een lastige positie. Wil je meer sata-poorten, dan heeft ASRock het voordeel. Maar extra opslagmogelijkheden alleen vormen op dit prijspunt een lastig verkoopargument. ASRock lijkt dus deels te leunen op liefhebbers van het merk en deels op zijn designs, die net even afwijken van de concurrentie.

©PXimport

Conclusie

Waar goedkope X470-borden of (Intel) Z390-moederborden soms objectief slecht waren, gaat dat voor geen enkel X570-moederbord op. Zelfs de goedkoopste opties bieden kwalitatief zulke degelijke componenten dat AMD’s aangekondigde 16-core processor probleemloos op deze borden gebruikt kan worden.

Hierdoor is het cruciaal om je eigen eisen op een rij te zetten, afhankelijk van onder meer je doeleinden, behuizing of gewenste opslag. Voldoet de goedkoopste maar eenvoudige MSI X570-A Pro? Dan is die geen bezwaar. Onze redactietip gaat echter uit naar de Gigabyte X570 Aorus Elite. Vanwege de kwaliteit, maar vooral wegens de zeer ruime selectie aan aansluitingen die ruimschoots voldoen voor de meeste doeleinden, van gamen tot creatieve taken.

Bij de high-end borden met snelle netwerkverbinding, wifi 6 en een nog ruimere selectie aansluitingen strijden de Gigabyte X570 Aorus Master, MSI MEG X570 ACE en ASUS ROG Crosshair VIII Hero om de winst. De ASUS pakt de winst voor overklokkers, aangepaste water-loops en hobbyisten, dankzij enkele specifieke voordelen voor die doeleinden. Al is het wederom Gigabyte dat in dat segment de meeste hardware biedt voor een iets betere prijs. Samen zijn het de beste borden van deze generatie.

En dan is er nog een tweede bord dat onze tip verdient, want de MSI Prestige X570 Creation biedt meer usb-poorten en m.2-opslag dan elke concurrent. Gecombineerd met zijn 10 Gbit/s netwerkverbinding is dit onze keuze voor een professioneel workstation waarbij geld geen rol speelt.

©PXimport

▼ Volgende artikel
Column: A Knight of Seven Kingdoms is wat Game Of Thrones nooit durfde te zijn
© HBO Max
Huis

Column: A Knight of Seven Kingdoms is wat Game Of Thrones nooit durfde te zijn

Game of Thrones kennen we als een reeks brute, grootschalige verhalen, maar A Knight of Seven Kingdoms is het tegenovergestelde. Wat blijkt? Met een schattig, kleinschalig verhaal voelt Westeros alleen maar groter.

Het regent. Op een heuvel, onder een boom, zien we een kast van een vent in de weer met een schop. Een ridder, lijkt het. Hij graaft een graf. Tegelijkertijd praat de ridder in zichzelf: er is in de buurt een toernooi, en we kijken waarschijnlijk naar de winnaar. De muziek zwelt op, terwijl onze held vastberaden in de verte staart. De iconische Game of Thrones-muziek lijkt ons te gaan overspoelen, klaar om naar een prachtig geanimeerde intro te gaan. In plaats daarvan, knippen we naar een shot waarin onze held achter een boom staat te poepen.

Watch on YouTube

De boodschap is duidelijk: de serie heeft schijt aan de verwachtingen die je van Game of Thrones hebt. De serie stond er ooit immers om bekend dat het brak met de conventies van mainstream fantasy. Nu de reeks daar inmiddels zelf toe behoort, is het aan A Knight on Seven Kingdoms om er weer een flinke draai aan te geven.

Een ridder van de heg

Nog een spin-off? George R. R. Martin is toch die schrijver die nooit schrijft? Tja, dat valt wel mee. Hoewel de beste man zich al tien jaar uit een hoekje probeert te schrijven met het langverwachte Winds of Winter, heeft hij een hoop andere verhalen in Westeros verteld.

Zo komen de verhalen van House of the Dragon uit het boek Fire and Blood, waarin we volgen hoe de Targaryen-familie zichzelf met generaties aan ruzies ten val brengt. Maar George R. R. Martin heeft de schaal ook wel eens flink verkleind: in het korte boek The Hedge Knight, dat nog stamt uit de vorige eeuw, volgen we een ridder en zijn schildknaap.

©HBO Max

Daarin volgen we de ridder Dunk - niet onze eigen Dunke, maar Ser Duncan The Tall. Hij is een ‘hagenridder’: een ridder zonder verwantschap aan een heer. Of, in andere woorden: een freelancer die, als hij niet werkt, in de heg mag slapen. Dunk blijft niet lang een zzp’er: hij ontmoet de kale stadsjongen Egg, die dolgraag zijn schildknaap wil zijn.

Vrede!?

De verhalen van dit geliefde tweetal bieden de basis van A Knight of the Seven Kingdoms. De twist? Er is vrede in Westeros - ja, het kan echt - en we volgen een nobody, dus er is ineens ruimte voor een gezellig, klein verhaal. Dat wordt gereflecteerd in de afleveringen: geen dik uur, maar een comfortabel halfuurtje.

©HBO Max

De ridder Dunk wil dolgraag bewijzen dat hij een eervolle ridder is, maar dat is in het brute Westeros best een uitdaging. Al helemaal als je een lompe lieverd als Dunk bent. Dan komt zo’n slimme, wereldwijze schildknaap als Egg ineens goed van pas.

Het wordt al helemaal lastig als je niet eens kan bewijzen dat je een ridder bent. Dan mag je namelijk niet eens meedoen aan een toernooi - eentje waarbij Dunk overigens zijn paard en zijn spullen kwijtraakt, mocht hij verliezen.

Meneer, mag ik meedoen?

Met dat toernooi wordt een van de Game of Thrones-clichés lekker op zijn kop gezet. In de oorspronkelijke serie zagen we in aflevering vier een heftig toernooi en House of the Dragon opende er zelfs mee: het is vaak een goede manier om zonder grote verhaalconsequenties te laten zien hoe gewelddadig Westeros is.

©HBO Max

In A Knight of the Seven Kingdoms komen we dat toernooi niet eens bínnen. Eerst moet Dunk maar eens bewijzen dat hij een ridder is, uitzoeken hoe zo’n toernooi werkt en een heer overtuigen hem te helpen - maar ook dansen, touwtje trekken en een poppenspel aanschouwen. Het is een fantastische stap terug van al die grootschalige oorlogen.

Doordat het verhaal zo’n piepkleine focus heeft, begin je om iedereen te geven: iemand die z’n paard verkoopt in A Knight of Seven Kingdoms is vele malen pijnlijker dan een draak die wordt doodgeschoten in Game of Thrones. We bevinden ons nog steeds in de brute wereld, maar het komt allemaal wat harder aan omdat we ook zien hoe grappig en gezellig het kan zijn.

©HBO Max

Een fossiele brandstof

Toch loopt ook A Knight of Seven Kingdoms een zeker risico. De kwaliteit van Game of Thrones kelderde toen de makers het bronmateriaal inhaalden. Ook die van House of the Dragon nam wat af, toen showrunner Ryan Condal besloot George R.R. Martin niet langer te raadplegen en de grote climax werd doorgeschoven naar het volgende seizoen.

Er zijn momenteel drie korte boeken rondom Dunk en Egg, waarvan dit eerste seizoen het eerste boek beslaat. George R.R. Martin zegt nog twaalf verhalen in zijn hoofd te hebben, maar volgens HBO-baas Casey Bloys moeten de seizoenen van A Knight of Seven Kingdoms jaarlijks verschijnen: dat klinkt goed, maar dan mag Martin wel even doorschrijven. Zijn verhalen voelen nu als een fossiele brandstof: het is een enorm waardevolle bron, maar die wordt niet echt meer aangevuld.

©HBO Max

Gelukkig lijken showrunner Ira Parker en George R.R. Martin goed bevriend. De schrijver heeft Parker een outline gegeven van de twaalf verhalen, dus in theorie kan de serie daarmee verder - maar laten we niet vergeten dat dit bij de laatste seizoenen van Game of Thrones óók het geval was.

Bombastisch gefluit

Toch verdient Ira Parker ons optimisme, want A Knight of Seven Kingdoms is een fenomenale toevoeging aan de wereld van A Song of Ice and Fire. Verhalen hebben contrast nodig: door het klein te houden, voelt de wereld groot. Door het lief te houden, komen de gemene momenten keihard aan.

©HBO Max

De muziek is hier een spectaculair voorbeeld van. De bombastische muziek wordt ons aan het begin als wortel voorgehouden, maar dat is het ook wel - in plaats daarvan moeten we het doen met een gezellig gitaartje, iemand die fluit en het gezang van de vogeltjes.

Als het balletje dan eenmaal gaat rollen, neemt de muziek toch een bombastischer formaat aan - maar op dat moment voelt het verdiend. En, het allerbelangrijkste: in die epische muziek zit óók gewoon nog dat schattige gefluit.

Afleveringen van A Knight of Seven Kingdoms verschijnen wekelijks op HBO Max.

▼ Volgende artikel
Doctor Sleep-regisseur gaat Stephen King-verhaal The Mist verfilmen
Huis

Doctor Sleep-regisseur gaat Stephen King-verhaal The Mist verfilmen

Mike Flanagan, die eerder onder andere de Stephen King-verhalen Doctor Sleep en The Life of Chuck verfilmde, gaat zich weer bezighouden met een film gebaseerd op een boek van de horrorschrijver. Ditmaal gaat het om The Mist.

Dat is opvallend, omdat The Mist in 2007 ook al verfilmd werd. Toen was het Frank Darabont die de film regisseerde, nadat hij eerder al naam maakte met Stephen King-verfilmingen The Shawshank Redemption en The Green Mile. De in 2007 uitgekomen verfilming van The Mist viel al goed in de smaak, dus sommige fans vragen zich dan ook af of het verhaal nog een verfilming nodig heeft.

Hoe dan ook is Flanagan tegenwoordig een expert op het gebied van Stephen King-films. Zoals gezegd heeft hij al bewerkingen van verhalen als The Life of Chuck, Doctor Sleep en Gerald's Game geleverd, en werkt hij ook aan een miniserie gebaseerd op Carrie. Daarnaast gaat hij de zevendelige Stephen King-epos The Dark Tower omtoveren tot een serie, al is niet bekend wanneer dat gaat gebeuren.

Over The Mist

Het in 1980 verschenen boek The Mist draait om een mysterieuze mist die een dorpje in zijn ban houdt. De mist maakt mensen niet alleen dood, er zitten ook allerlei monsters in die mist uit een andere dimensie. Overigens kwam tien jaar geleden ook een serie gebaseerd op The Mist uit, maar zonder veel succes. De eerdere verfilming uit 2007 wordt wel gezien als een succesverhaal - in ieder geval op kwalitatief gebied.

Mike Flanagan

Flanagan is overigens niet alleen bekend voor zijn verfilmingen van Stephen King-boeken. Hij heeft ook veel succes met zijn horrorseries op Netflix, waaronder The Haunting of Hill House, The Haunting of Bly Manor, Midnight Mass en The Fall of the House of Usher.