❗Wat gaan we doen?

We zien hoe je belangrijke data overzichtelijk en efficiënt op je pc bewaart, hoe je bestanden snel terugvindt, hoe je deze veilig opslaat en back-upt en ‘actieve’ data synchroniseert.

In een notendop

In een notendop ziet slim databeleid er ongeveer als volgt uit. Je zorgt eerst voor een werkbare opslagindeling voor je data, waarbij je overtollige of dubbele bestanden weghaalt. Geef je bestanden een betekenisvolle naam en werk waar mogelijk met labels (tags). In combinatie met krachtige zoekfuncties of eventueel extra zoektools zorgt dit ervoor dat je alle data daarna snel terugvindt. Data die je vaak gebruikt laat je bij voorkeur automatisch synchroniseren, bijvoorbeeld naar een NAS of de cloud, terwijl je ook regelmatig volledige back-ups maakt, liefst met versiebeleid en zo ransomwarebestendig mogelijk. Encryptie zorgt voor veilig toegangsbeheer.

In het vervolg van dit artikel gaan we dieper in op elk van deze stappen en krijg je praktische tips en tools aangereikt voor een optimaal databeleid.

Mappenstructuur

Alles begint met een logische en consistente mappenstructuur. Een vrij rigoureuze methode, vooral geschikt voor grotere archieven, is het ‘Johnny Decimal’-systeem. Daarbij verdeel je je data eerst in hoofdcategorieën, genummerd van 10 tot 90, zoals 10 Administratie (10-19), 20 Werk (20-29) en 30 Foto’s (30-39), waarna je elke categorie verder opsplitst in submappen als 11 Facturen, 12 Belastingen en 13 Verzekeringen. Voor thuisgebruik is dit overdreven en kies je wellicht liever voor een thematische, ongenummerde structuur, bijvoorbeeld Administratie, Financiën en Woning, met submappen als Hypotheek, Renovatie, Energiecontracten en Handleidingen (binnen de map Woning). Je kunt ook projectmatig werken, zoals met de map Badkamerrenovatie en submappen als Offertes, Facturen, Plannen en Foto’s.

Voor documenten die elk jaar terugkeren, werken jaarmappen handig (2024, 2025, 2026, …), met daarbinnen thematische submappen zoals Belastingen, Ziekenfonds en Bank. Werk je vooral chronologisch, gebruik dan bij voorkeur iso-datumcodes in bestandsnamen, bijvoorbeeld 2026-03-31 elektriciteit factuur.pdf.

Voor veel gebruikers werkt een combinatie van systemen goed, zoals thematische mappen (Woning\Verwarming) en daarin bestanden met een datum (2026-03-31 attest ketel.xlsx). De perfecte methode bestaat helaas niet; kies dus een eenvoudige structuur die je zelf handig vindt en vooral consequent toepast.

Voor veel gebruikers zal een thematische mappenindeling volstaan.
Voor veel gebruikers zal een thematische mappenindeling volstaan.

Migratie

Heb je een geschikte mappenstructuur bedacht, dan kun je deze nieuwe structuur eerst naast je huidige bestanden aanmaken in een nieuwe map op je pc of eventueel op je NAS. Zo kun je rustig experimenteren zonder bestaande bestanden te beschadigen.

Voor grotere structuren werkt dit het snelst via opdrachtregelcommando’s of via een batchbestand, zodat je dezelfde mapstructuur later snel opnieuw kunt aanmaken, bijvoorbeeld op een nieuwe schijf of NAS. Typ in Kladblok bijvoorbeeld het volgende:

mkdir Woning
mkdir Woning\Hypotheek
mkdir Woning\Renovatie
mkdir Woning\Energiecontracten
mkdir Woning\Handleidingen

Dit kan trouwens ook in één commando:

mkdir Woning\Hypotheek Woning\Renovatie Woning\Energiecontracten Woning\Handleidingen

Bewaar dit batchbestand met de extensie .bat. Je hoeft dit daarna alleen nog uit te voeren vanuit de map waarin je \Woning wilt aanmaken om alle opgegeven mappen in één keer te maken.

Migreer vervolgens je oude data bij voorkeur per (sub)categorie, bijvoorbeeld eerst alle bestanden die bij Administratie horen. Veiligheidshalve kopieer je je oude bestanden eerst in plaats van ze meteen te verplaatsen. Uiteraard maak je eerst een back-up van je bestaande data. Om sneller de gewenste bestanden te vinden, kun je in Verkenner kiezen voor Sorteren / Groeperen op, bijvoorbeeld op Type of Gewijzigd op. Je kunt ook de zoekbalk van Verkenner gebruiken, met zoektermen als ext:docx of naam:<deel_van_bestandsnaam>.

(Her)creëer snel talrijke submappen met een batchbestand.

Structuurkopie

Wil je snel bestanden overzetten die al in een geschikte mappenstructuur zijn opgenomen of wil je deze kopiëren naar bijvoorbeeld een andere schijf of netwerkshare (op je NAS), dan is het ingebouwde commando robocopy hiervoor prima geschikt. Met het volgende commando bijvoorbeeld kopieer je de volledige mappenstructuur, inclusief lege mappen (/e), en met behoud van mapdatums en attributen (/dcopy:dat). Doet een bestand nukkig, dan probeert robocopy het nog één keer (/r:1), met één seconde wachttijd (/w:1). Je kunt met onderstaande parameter achteraf nog controleren welke bestanden precies zijn gekopieerd en of er fouten waren:

/log+:"<loglocatie\bestandsnaam.log>"

Je volledige commando is dan als volgt opgebouwd:

robocopy "<bronlocatie>" "<doellocatie>" /e /dcopy:dat /r:1 /w:1 /log+:"<loglocatie\bestandsnaam.log>"

Uitgewerkt ziet dat er zo uit:

robocopy "C:\data" "D:\kopie" /e /dcopy:dat /r:1 /w:1 /log+:"d:\logs\migratie.log"

Met het commando robocopy /? krijg je een overzicht van alle beschikbare parameters en je merkt meteen dat robocopy flexibeler en robuuster is dan kopiëren vanuit de Verkenner.

Robocopy kan een gedetailleerd logbestand bijhouden.

Hernoemen

Wil je voor een consistentere en overzichtelijkere opslag een reeks bestanden hernoemen, dan werk je het snelst in bulk. De Verkenner heeft wel een ingebouwde functie: selecteer alle bestanden, druk op F2 en geef een naam op, waarna Windows automatisch nummert als naam (1).jpg, naam (2).jpg enzovoort (met Ctrl+Z maak je dit ongedaan). Dit blijft wel vrij rudimentair. Een externe tool zoals Bulk Rename Utility (BRU) biedt veel meer mogelijkheden, al is deze ook complexer. Een eenvoudiger alternatief is bijvoorbeeld PowerRename uit de Microsoft PowerToys-collectie.

Stel dat je bestandsnamen tegelijk vooraan wilt nummeren en achteraan een extra naam wilt toevoegen, zoals 01-<oudenaam>-Maltareis.jpg. Selecteer eerst de gewenste bestanden in BRU. Kies bij Numbering (10) de mode Prefix, vul 0 in bij Start, 1 bij Incr en 2 bij Pad. Vul vervolgens bij Add (7) het woord -Maltareis in bij Suffix. De nummering volgt de sorteerorde van de bestandslijst, dus stel indien nodig eerst een andere sorteervolgorde in, eventueel door bestanden zelf te verslepen.

Een ander voorbeeld. Wil je bestandsnamen als <JJJJMMDD>.<extensie> omzetten naar het iso-formaat <JJJJ-MM-DD>.<extensie>, gebruik dan de ingebouwde RegEx-ondersteuning. Vul bij RegEx(1) naast Match in: ^([0-9]{4})([0-9]{2})([0-9]{2}), en bij Replace: \1-\2-\3. Het eerste zoekt drie groepen aan het begin van de bestandsnaam (^): vier cijfers gevolgd door twee groepen van telkens twee cijfers. Het tweede patroon plaatst een liggend streepje tussen deze drie groepen.

Klik eerst op Preview en bevestig pas met Rename wanneer alles correct oogt.

Bulk Rename Utility ondersteunt ook krachtige RegEx-expressies.

Metadata

Een consistente mappenstructuur en doordachte bestandsnamen maken het makkelijker om later specifieke bestanden terug te vinden, maar veel zoektools herkennen daarnaast ook metadata in bestanden, zodat je data sneller op onderwerp of context kunt vinden. Dit is bijvoorbeeld handig wanneer een bestand in meerdere thematische mappen, zoals \renovatie of \facturen, zou kunnen passen (zie ook het kader ‘Harde links’) en je niet meer precies weet waar het is opgeslagen.

Je kunt metadata van diverse mediabestanden, zoals foto, video en audio, en van sommige documenttypes zoals pdf of Microsoft 365-documenten ook rechtstreeks in de Verkenner aanpassen. Selecteer één of meerdere bestanden, klik met rechts op de selectie en kies Eigenschappen, open het tabblad Details en vul metadata in zoals Titel, Onderwerp en Labels. Je kunt deze gegevens ook zichtbaar maken door extra kolommen toe te voegen. Klik met rechts op een kolomtitel in de Verkenner, kies Meer en selecteer bijvoorbeeld Labels, Titel, maar ook metadata zoals Albumartiest of Cameramodel.

Vervolgens kun je in de Verkenner-zoekbalk rechtsboven ook metadata als zoekterm gebruiken. Typ bijvoorbeeld een titel, onderwerp of label om hierop te filteren.

Je kunt bepaalde metadata ook vanuit de Verkenner aanpassen en filteren.
Je kunt bepaalde metadata ook vanuit de Verkenner aanpassen en filteren.

Labelen

Schrikt de opdrachtregel je niet af, dan biedt het gratis ExifTool een veel krachtigere methode. Pak het gedownloade zip-bestand uit en hernoem exiftool(-k).exe naar exiftool.exe. Voer daarna vanuit deze map het volgende commando uit om alle metadata van dat bestand te bekijken:

exiftool <pad_naar_bestand>

Je kunt dit ook voor meerdere bestanden tegelijk doen, bijvoorbeeld met:

exiftool d:\afbeeldingen\*.jpg

Je kunt bestanden ook zelf taggen, bijvoorbeeld met:

exiftool -Keywords="<labelA>,<labelB>" "<pad_naar>*.jpg"

Hiermee tag je alle jpg-bestanden in de opgegeven map. Wil je bestaande tags behouden, voeg dan een plusteken toe:

exiftool -Keywords+="<labelA>" "<pad_naar_bestand>"

Je kunt ook meerdere datavelden tegelijk aanpassen, bijvoorbeeld met:

exiftool -Title="Keukenrenovatie 2026" -Subject="Offertes" -Keywords+="keuken, renovatie" "*.pdf"

Standaard maakt ExifTool een back-upbestand met _original achter de extensie. Wil je dat vermijden, voeg dan de parameter -overwrite_original toe aan je commando. Met exiftool -h roep je een overzicht van de beschikbare parameters op.

Wie voluit met tags wil werken en ook willekeurige bestandstypen wil kunnen labelen, heeft een prima tool aan TagSpaces; gratis met beperkingen). Je bedient deze tool volledig grafisch en er is ook een krachtige zoekfunctie. In de betaalde Pro-versie kun je tevens criteria instellen waarmee bestanden automatisch labels krijgen, of zelfs (lokale) AI inzetten bij het labelen.

Wil je voorkomen dat je tags in de bestandsnamen terechtkomen, open dan Settings en kies bij General voor Use Sidecar File (in plaats van Rename File): de tags belanden dan in een verborgen submap (.ts).

ExifTool is een uiterst flexibele tool voor het opvragen en bewerken van metadata in bestanden.

Opschonen

Het loont om af en toe grotere datamappen te analyseren om te zien of er geen grote, overtollige bestanden staan en of er in verschillende (sub)mappen geen duplicaten voorkomen.

Dat kan met complexe opdrachtregel- of PowerShell-commando’s, maar een grafische tool zoals WizTree werkt veel handiger.

Start de geïnstalleerde tool als administrator en selecteer de gewenste map. Druk op Scannen; kort daarna verschijnt de inhoud in een boomstructuur. Open het tabblad Bestandenoverzicht en klik op de kolomtitel Grootte om snel de grootste bestanden te zien. In de zoekbalk filter je bijvoorbeeld met *.jpg op specifieke bestandstypen. Via het contextmenu verplaats of verwijder je geselecteerde bestanden.

Met WizTree kun je ook dubbele bestanden opsporen, al bestaan er krachtigere tools zoals het opensource AllDup. Scan eerst de gewenste map, open het tabblad Bestandenoverzicht en zet rechtsboven een vinkje bij Alleen duplicaten. Bij Dubbele bestanden geef je aan op welke criteria WizTree zoekt: Zoeken op naam, grootte, datum of alleen Zoeken op naam, grootte. Verwijder duplicaten nooit zomaar, want een applicatie kan zo’n bestand op een specifieke locatie verwachten.

WizTree vindt zowel grote als dubbele bestanden.

Comprimeren

Je hebt inmiddels overtollige en dubbele bestanden verwijderd en je data overzichtelijk opgeslagen in een logische mappenstructuur, maar het kan nog compacter. Zo kun je overwegen de ingebouwde compressie in te schakelen. Controleer eerst of een station NTFS gebruikt: klik in de Verkenner met rechts op een stationsletter, kies Eigenschappen en kijk op het tabblad Algemeen bij Bestandssysteem. NTFS-compressie werkt vooral goed bij data zonder eigen compressie, zoals tekstbestanden. Verwacht dus weinig schijfwinst bij moderne Office-bestanden, archieven zoals zip en 7z, en diverse mediaformaten.

Schakel compressie als volgt in: klik met rechts op een map of bestand, kies Eigenschappen, klik op Geavanceerd en vink Inhoud comprimeren om schijfruimte vrij te maken aan. Bevestig en kies (bij voorkeur) Wijzigingen op deze map, onderliggende mappen en bestanden toepassen. Je kunt deze optie later altijd weer uitschakelen.

Gecomprimeerde mappen en bestanden herken je aan een pictogram met dubbele blauwe pijlen. Open je zo’n item, dan decomprimeert Windows het automatisch.

Data die je minder vaak gebruikt, kun je eventueel in een heus archiefbestand plaatsen. Selecteer de items, klik met rechts, kies Comprimeren naar en selecteer bijvoorbeeld ZIP of 7zip. Wil je meer controle, installeer een gratis tool zoals 7-Zip. Zulke archiefbestanden pak je uit door in de Verkenner op het archiefbestand te dubbelklikken en Alles uitpakken te kiezen.

NTFS-compressie is vooral efficiënt bij tekstgebaseerde data.
Harde links

Bij ‘Tip 6 Metadata’ kwam al het probleem aan bod dat sommige projectbestanden eigenlijk in meerdere mappen thuishoren. Hetzelfde bestand daadwerkelijk in meerdere mappen opslaan is niet efficiënt. Voor wat gevorderde gebruikers kunnen harde links hiervoor een oplossing bieden.

Stel dat een groot databasebestand in twee mappen nodig is en momenteel in d:\project1 staat. Voer dan in de opdrachtprompt de volgende opdracht uit:

mklink /h <nieuwe_link> <bestaand_bestand>

Dat ziet er ingevuld als volgt uit:

mklink /H D:\project2\<bestandsnaam> D:\project1\<bestandsnaam>

Het bestand lijkt nu op twee locaties te staan, maar gebruikt slechts één keer schijfruimte. Dit kan enkel op hetzelfde station. Gebruik je dit vaker, dan kan de gratis tool Link Shell Extension handig zijn. Je gebruikt deze tools via Pick Link Source en Drop as / Hardlink in het contextmenu van de Verkenner.

Je kunt controleren hoeveel en welke harde links een bestand heeft (x is in ons voorbeeld 1 of 2) met het volgende commando:

fsutil hardlink list D:\projectx\<bestandsnaam>

Verwijder je een van deze bestanden, dan blijven de data bestaan. Pas wanneer je de laatste kopie verwijdert, verdwijnen de data.

Harde links zijn vooral handig bij grote bestanden die je graag op meerdere locaties ziet.

Zoekfilters

We verwezen al enkele keren naar de ingebouwde zoekfunctie van de Verkenner, meer bepaald naar de zoekbalk waarin je handige filters gebruikt volgens de zogeheten ‘advanced query syntax’ <veld>:<waarde>.

Enkele voorbeelden maken dit duidelijk: labels:woning, onderwerp:renovatie, titel:jaarverslag, auteur:Toon, inhoud:keuken, ext:pdf, datum:>01-01-2026 (andere parameters voor de datum van laatste wijziging zijn bijvoorbeeld 2025, vorige maand of 01-12-2025..01-04-2026), grootte:>100MB, naam:verslag enzovoort. Typ je gewoon de zoekterm verslag in plaats van naam:verslag, dan doorzoekt Windows niet alleen de bestandsnaam maar ook andere velden, zoals documentinhoud, metadata en mapnamen. Daarnaast bestaan er tal van metadata die typisch zijn voor mediabestanden, zoals breedte, cameramodel, album en resolutie, die je eveneens als zoekfilter kunt gebruiken.

Je kunt ook meerdere filters combineren, bijvoorbeeld labels:woning AND labels:renovatie ext:docx voor Word-documenten met zowel de labels woning als renovatie (met OR volstaat één van beide zoektermen). Begin je een zoekterm te typen, dan verschijnt in het Lint van de Verkenner automatisch de optie Zoekopties. Daar bepaal je onder meer of de zoekactie ook submappen doorzoekt en activeer je extra filters via opties als Gewijzigd op, Soort en Grootte.

Zoekfilters aan het werk in de ingebouwde zoekfunctie van Windows.

Zoekindexering

In principe werkt de ingebouwde zoekfunctie van Windows en de Verkenner op alle lokale mappen, maar wanneer deze niet geïndexeerd zijn, werkt het zoeken veel trager en kunnen sommige metadata- of inhoudszoekopdrachten minder efficiënt functioneren. Mappen met frequent geraadpleegde bestanden laat je dus beter expliciet indexeren. Dit houdt in dat Windows hiervan een soort register of catalogus maakt.

Je stelt dit als volgt in. Tik indexeringsopties in op de Windows-zoekbalk en start de gelijknamige module. In het startvenster verschijnen de reeds geïndexeerde locaties. Klik op Wijzigen en selecteer (alleen) de gewenste locaties – klik desnoods op Alle locaties weergeven. Netwerkshares of gemapte stations zitten er helaas niet (zomaar) bij.

Normaliter hoef je weinig anders in te stellen en gebeurt de rest automatisch. Wel kun je nog bijsturen wat Windows per bestandstype precies zal indexeren. Druk op de knop Geavanceerd en open het tabblad Bestandstypen. Selecteer een extensie en kies Alleen eigenschappen indexeren of Eigenschappen en inhoud van het bestand indexeren. Dit laatste werkt vooral bij gegevens als tekstbestanden, Office-documenten, pdf’s, e-mailbestanden en programmeerbestanden. Desnoods voeg je hier zelf een extensie toe wanneer die nog niet in de lijst staat.

Je bepaalt wat Windows Search indexeert en (deels ook) hoe.

Snelzoeker

De ingebouwde zoekfunctie van Windows is vrij flexibel, maar wil je vooral snel naar bestanden (en op enkele NTFS-eigenschappen) zoeken, dan kun je de gratis tool EverythingToolbar overwegen; klik hier op Latest). De installatie vraagt slechts enkele muisklikken. Maak na de eerste start het pictogram vast aan de Windows-taakbalk en activeer bij voorkeur Enable autostart.

De app fungeert als grafische frontend voor de zoekmachine Everything. Installeer deze daarom ook (met de standaardopties) en laat de engine op de achtergrond draaien. Klik je daarna op het vergrootglaspictogram op de Windows-taakbalk, dan kun je vanuit EverythingToolbar razendsnel naar bestandsnamen zoeken. Daarbij kun je ook reguliere expressies gebruiken. Met de knop Meer beperk je de zoekopdracht tot specifieke bestandstypen, zoals Audio, Afbeelding of Video.

Wil je extra locaties laten indexeren, stel dit dan in vanuit de instellingen van Everything zelf. Open deze tool en ga naar Hulpmiddelen / Opties, waar je tal van configuratiemogelijkheden vindt, waaronder Indexen. Het is ook mogelijk om hier bijvoorbeeld gedeelde netwerkmappen, zoals die van je NAS, aan toe te voegen. Kies dan Mappen en vul het UNC-pad in, zoals \\nas\map. Laat het vinkje staan bij Probeer de wijzigingen bij te houden en kies zelf een geschikte scanfrequentie voor de indexering.

EverythingToolbar (links), met geavanceerde opties van zoekengine Everything (rechts).

Synchroniseren (offline)

Je hebt je data inmiddels gestructureerd opgeslagen, afgeslankt en waar mogelijk gecomprimeerd en voorzien van metadata en tags. Murphy is nooit ver weg en dus is het verstandig om in synchronisatie- en back-upmechanismen te voorzien. Laten we eerst op synchronisatie focussen. Hiervoor kun je een gratis opensource-tool als FreeFileSync inzetten, maar het kan ook met de reeds besproken ingebouwde tool Robocopy (zie ook ‘Tip 4: Structuurkopie’):

robocopy "<pad_naar_bronmap>" "<pad_naar_doelmap>" /mir /r:1 /w:1 /log:"<pad_naar_logbestand>"

Een uitgewerkt voorbeeld is:

robocopy "c:\data" "\\NAS\toon\z" /mir /r:1 /w:1 /log:"d:\logs\robomir.log"

De parameter /mir (mirror) zorgt ervoor dat de doelmap een exacte spiegel van de bronmap wordt. Bestanden die niet meer in de bronmap staan worden dus ook uit de doelmap verwijderd. Gebruik daarom bij voorkeur eerst de parameter /L voor een veilige simulatie.

Voeg bij synchronisatie met een NAS of netwerkshare bij voorkeur ook de volgende opties toe: /fft (tolerantie bij kleine tijdverschillen tussen bestandssystemen) en /z (hervatbare kopie bij netwerkonderbrekingen).

Tip 13 Robocopy kan ook prima synchronisaties uitvoeren. [13-robocopymir-origineel.png>>kaders,pijlen:13-robocopymir-bewerkt.png]

Synchroniseren (cloud)

Veel gebruikers zetten een gratis cloudopslagdienst zoals Google Drive of OneDrive in voor synchronisatie en back-ups. Voor synchronisatie nemen we Google Drive als voorbeeld.

Installeer Google Drive voor Desktop via www.kwikr.nl/gdrived en meld je aan met je Google-account. Klik op het pictogram in het Windows-systeemvak en vervolgens op het tandwielpictogram in het venster. Kies Voorkeuren en open Mijn computer. Selecteer de gewenste bronmap en laat het vinkje staan bij Synchroniseren met Google Drive. Bevestig met Klaar en Opslaan. De data verschijnen nu in je cloudopslag bij Computers. Test dit even.

Google Drive werkt daarnaast met een tweede synchronisatieconcept, wat soms verwarrend is. Na installatie verschijnt namelijk ook een Google Drive-locatie: de lokale toegang tot je cloudopslag. Je bereikt die via Google Drive voor Desktop door op Google Drive te klikken (in plaats van Mijn computer). Kies vervolgens Openen in Verkenner om de exacte locatie te zien. Hier vind je twee opties: Bestanden streamen en Bestanden spiegelen. In het eerste geval blijven bestanden primair in de cloud en downloadt de pc ze pas wanneer je ze opent. In het tweede geval staan ze ook daadwerkelijk lokaal op je pc.

Kortom, plaats je je datamap(pen) niet in de Google Drive-map, werk dan via Mijn computer voor een eenrichtingssynchronisatie (van lokaal naar cloud). Plaats je ze wel in de Google Drive-map, kies dan Bestanden spiegelen voor een volledige tweerichtingssynchronisatie. Heb je weinig lokale opslagruimte, overweeg dan Bestanden streamen.

Bestanden streamen is vooral handig bij gebrek aan schijfruimte.
Bestanden streamen is vooral handig bij gebrek aan schijfruimte.

3-2-1 back-uppen

Synchronisaties zoals hierboven beschreven zijn handig, maar beschermen niet tegen malware zoals ransomware. Synchronisatie zet wijzigingen immers meteen door naar de andere locatie, ook in de cloud. Cloudopslagproviders bewaren meestal wel tijdelijk oudere bestandsversies via versiegeschiedenis, maar voor echte veiligheid heb je een aparte back-up nodig, bij voorkeur volgens het 3-2-1-principe. Dit betekent minstens drie kopieën van je data bewaren, waarvan één origineel, op verschillende opslagmedia zoals een interne of externe schijf, een netwerkshare en de cloud, en minstens één kopie op een andere fysieke locatie, offsite, bijvoorbeeld tegen brand of diefstal.

We hebben niet de ruimte hier diep op in te gaan, maar een gratis opensource-tool waarmee dit perfect mogelijk is, is Duplicati. In dit artikel vind je hiervoor instructies. Daar lees je onder meer dat je bij voorkeur een afzonderlijk account gebruikt om de netwerkshare voor je back-ups te benaderen, zodat ransomware minder snel toegang krijgt tot de back-up.

Maak je ook een back-up naar je cloudopslagprovider, neem de back-upmap (volgens dezelfde logica) niet op in je synchronisaties. Dit lukt helaas niet langer wanneer je Bestanden spiegelen gebruikt, omdat dan normaal je volledige Google Drive wordt gesynchroniseerd. Kies je Bestanden streamen, dan kan het wel: klik in de Google Drive-map met rechts op je back-upmap en selecteer (via Meer opties weergeven) de optie Offline toegang / Alleen online.

Duplicati is een uitstekende en flexibele back-uptool.