ID.nl logo
Raspberry Pi 400 review - Pc verstopt in toetsenbord
© Reshift Digital
Huis

Raspberry Pi 400 review - Pc verstopt in toetsenbord

De Raspberry Pi 400 is een minicomputer verstopt in een toetsenbord, waardoor je niet langer een losse kast op je bureau hoeft neer te zetten. Daarmee is een nieuwe Raspberry Pi voor het eerst meer dan een simpele hobbycomputer. Hoe dat in de praktijk bevalt, lees je in deze Raspberry Pi 400 review.

De Britse Raspberry Pi Foundation is al jarenlang een lievelingetje van veel nerds. Het bedrijf produceert kleine alles-in-één-printplaatjes, die je alleen nog in een behuizing hoeft te stoppen om er een computer van te maken. Een computer van zo’n klein formaat, dat je hem overal in kunt stoppen voor allerlei hobbyprojecten.

Daarmee diende de Raspberry Pi Foundation jarenlang een zeer specifieke doelgroep. Want hoewel het apparaat ideaal bleek voor hobbyisten, waren zij ook de enigen die ermee uit de voeten konden. Niet iedereen voelt zich comfortabel met zo’n losse printplaat waar je zelf iets van moet maken. Daarnaast was het aan de koper om vanaf een andere computer een besturingssysteem op een micro-sd-kaart te zetten voordat hij überhaupt ingeschakeld kon worden.

De Raspberry Pi Foundation maakt het gebruik nu nog laagdrempeliger met zijn nieuwe Raspberry Pi 400. Een feitelijk doodsimpel product: dit is de Raspberry Pi 4, maar dan geïntegreerd in een toetsenbord. Een ontwerp waar computers in de tijd van de Commodore 64 vaak voor kozen, maar die in de afgelopen jaren eigenlijk nog maar amper voorbij kwam.

Hiermee verkoopt het bedrijf een volledig geassembleerde computer die je alleen nog maar op een tv of monitor hoeft aan te sluiten. De Pi 400 is een verrassend gebruiksvriendelijk product, dat zelfs met een vooraf geïnstalleerd besturingssysteem op de micro-sd-kaart wordt geleverd. Na het aansluiten van de kabels start het apparaat automatisch op en krijg je in Raspberry Pi OS een paar korte vragen om de taal en je wifi-netwerk in te stellen. Daarna is hij te gebruiken zoals iedere andere gangbare computer.

De toetsen zelf

Het toetsenbord van de Pi 400 is ongeveer wat je zou verwachten. Aan de binnenkant zitten simpele membraanknoppen zoals je ook vindt in het gemiddelde goedkope toetsenbord. Bij knopindrukken is een subtiele klik te voelen met daarachter een klein, metalig tikgeluid. Het werkt allemaal prima en naar behoren, al zullen sommige toetsenbordstrijders hun mechanische knoppen wellicht missen.

De Raspberry Foundation heeft een klein beetje ruimte tussen iedere knop vrijgehouden, zodat je vingers comfortabel verspreid boven het raster kunnen hangen. Daarnaast is de Windows-knop vervangen met een Raspberry-toets, die bijvoorbeeld het startmenu in Raspberry Pi OS snel kan openen.

Rechtsboven van het toetsenbord zitten drie lampjes. De linker twee laten zien of Caps Lock en Num Lock zijn geactiveerd, terwijl de derde groen oplicht zodra de Pi opstart. Dit lampje knippert bij forse processortaken. Handig, maar in eerste instantie een beetje spannend: door het power-teken erboven lijkt het alsof de Pi op het punt staat om uit te vallen.

©PXimport

Aansluitingen en gpio-poorten

De achterkant van de Pi 400 zit bomvol aansluitingen. Van de drie usb-poorten werken er twee met usb 3.0, wat bij onze tests snel genoeg was om gigabytes aan data in een paar seconden over te zetten. De ethernetpoort heeft een snelheid van 1 Gbit/s en is daarmee even snel als de meeste volwaardige pc’s met een netwerkaansluiting. Het maakt de Pi 400 ook een goede kandidaat voor bijvoorbeeld een nas: sluit twee usb3.0-schijven en een ethernetkabel aan en klaar. Niet zo geavanceerd als bijvoorbeeld een Synology-nas, maar toch.

Achterop zitten ook twee micro-hdmi-aansluitingen. Eén kabel is door de Raspberry Foundation meegeleverd, wie twee monitoren wil aansluiten moet een extra kabel bijbestellen. Beide poorten ondersteunen een hogere 4K-resolutie, maar bij onze tests kwam dat niet helemaal goed uit de verf.

Hoewel één van de aansluitingen prima in 4K beelden liet zien, bleef de ander op 1080p hangen. Jammer, maar misschien is dat maar beter ook. Laptops met veel hogere specificaties hebben al moeite met twee 4K-schermen tegelijk, dus het is vermoedelijk ook te veel gevraagd van de Pi 400.

Het apparaat gebruikt usb-c als stroomtoevoer. Een grote vooruitgang ten opzichte van de Pi 3 en een stap richting een toekomst waarin we nog maar één type stroomsnoer nodig hebben. Al is het te adviseren de bijgeleverde adapter te gebruiken of een Pi-specifieke te kopen. Bij tests met smartphone-laders had de Pi 400 al snel een stroomtekort waardoor hij langzamer liep en bovenin beeld een waarschuwing toonde.

©PXimport

Misschien wel de interessantste aansluiting zijn de gpio-poorten. Achterop zitten veertig kleine pinnetjes, die gebruikt kunnen worden voor allerlei hobbyprojecten. Eerdere Pi’s hebben diezelfde aansluitingen, die bijvoorbeeld werden gebruikt om knoppen voor arcadekasten of speciale aan-uitschakelaars te verbinden. Het maakt van de Pi 400 wederom een goede optie voor allerlei bouwprojecten, ondanks zijn wat consumentvriendelijkere verpakking.

Hoewel die gpio-poorten veel mogelijkheden met zich meebrengen, ben je op dit moment nog op jezelf aangewezen voor interessante toepassingen. Voor eerdere Pi’s zijn inmiddels allerlei accessoires te koop die met de gpio-pinnen verbinden, maar deze zijn grotendeels afhankelijk van het handzame ontwerp van die computers. De Pi 400 heeft een heel andere vormfactor, waardoor veel van die vooraf gemaakte toevoegingen nog niet werken. Vermoedelijk verschijnen op termijn wel steeds meer extraatjes die met speciale kabels op de gpio-header aan te sluiten zijn.

©PXimport

Raspberry Pi 400 specificaties

De specificaties van de Raspberry Pi 400 zijn vergelijkbaar met de Pi 4 die eerder verscheen. De Broadcom-processor heeft een iets ander serienummer eindigend met C0T in plaats van B0T, maar dit lijken nog min of meer dezelfde vier processorkernen die we in het vorige model zagen. 

De kloksnelheid ligt met 1,8 GHz per kern wel wat hoger, maar dat is vermoedelijk te danken aan de ingebouwde heatsink. Over nagenoeg de gehele printplaat bevindt zich een gigantische metalen plaat, die helpt om warmte uit de chip te absorberen. Dit houdt de temperatuur tijdens berekeningen laag, waardoor hij in de software overgeklokt kan worden voor betere prestaties.

De Pi 400 is beperkt tot 4 GB intern geheugen. Voor een computer van dit formaat en met deze prijs ruim voldoende, maar het is jammer dat de Raspberry Foundation niet de optie biedt om een model met 8 GB geheugen te kopen voor een iets hoger bedrag. Dat doet het bedrijf immers wel bij de gewone Raspberry Pi 4 die uit nagenoeg dezelfde hardware bestaat.

Desalniettemin maakt deze hardware van de Pi 400 een beest van een computer(tje) in zijn prijsklasse. Toegegeven, dat is ook een wat bescheiden competitiepoule om je in te bevinden: er zijn weinig computerfabrikanten die zich richten op een markt van tegen de 100 euro. 

De dichtstbijzijnde concurrenten zijn de goedkoopste Chromebooks, die vaak alsnog twee keer zoveel kosten. En deze laptops hebben in veel gevallen minder werkgeheugen en dualcore-processoren in plaats van quadcore. En dan zijn die Chromebooks nog op Intel-chips gebaseerd, terwijl de Pi 400 een energiezuinigere ARM-processor bevat.

©PXimport

Het zijn specificaties die de Pi 400 een prima werkpaard maken. We schrijven deze review op een Pi 400 met naast de tekstverwerker een stuk of tien browsertabbladen open, zonder dat het apparaat begint te stotteren of andere problemen ondervindt. YouTube-video’s spelen zonder al te veel gedoe af en apps worden ook snel geladen. Uiteraard is de ervaring niet zo razendsnel en vloeiend als op een desktop-pc van 800 euro, maar dat mag je ook niet verwachten op een apparaat in deze prijsklasse. Feit blijft: we zijn blij verrast met hoe vloeiend de ervaring is op een computertje die je voor slechts 90 euro kunt aanschaffen.

En dan hebben we het alleen nog maar gehad over de ‘gewone’ computerervaring. De Pi 400 is door zijn open Linux-karakter een buitengewoon soepel apparaat, waar je door de gebruikte micro-sd-kaarten doodsimpel verschillende besturingssystemen op kunt installeren. Je zou in feite een kaartje per bewoner kunnen maken, waarbij ieder zijn of haar favoriete besturingssysteem en daarop gedownloade bestanden heeft staan. Wie klaar is met werken, zet dan de Pi 400 uit en bergt het kaartje weer op.

Kies je besturingssysteem

Het aanbod qua besturingssystemen is bovendien enorm. De Pi-community heeft inmiddels tientallen varianten van Linux aangepast voor de computer, waarvan velen ook al werken op de Pi 400. Je kunt zweren bij het vooraf geïnstalleerde Raspberry Pi OS, of bijvoorbeeld ApplePiOS installeren om een Mac-ervaring te simuleren. Ben je vooral van plan te gamen, dan heb je met Retropie een besturingssysteem dat speciaal hierop is afgestemd. Ideaal om al die oude Commodore 64-spellen op te emuleren.

Wie een ander besturingssysteem wil installeren, is wel genoodzaakt er een tweede computer bij te pakken. Dit kan namelijk alleen door de software op specifieke manieren op een micro-sd-kaart te installeren, wat niet zomaar vanaf de Pi 400 kan: de enige kaartlezer op het apparaat wordt immers gebruikt om het apparaat draaiende te houden. En daarbij komt meteen ook weer de wat hobbyachtige kant van de Raspberry Pi om de hoek kijken. Het maken van een correcte micro-sd-kaart en instellen van je besturingssysteem kan in sommige gevallen enig geduld en veel kennis vereisen, wat je niet zomaar aan iedereen kunt overlaten.

Laptop zonder scherm

©PXimport

Het toetsenbordontwerp maakt van de Pi 400 een handzame computer die je overal mee naar toe kunt nemen. Hij past in je tas en kan met behulp van twee kabels worden aangesloten zolang je een scherm tot je beschikking hebt. Omdat het apparaat gebruikmaakt van statisch geheugen in plaats van bijvoorbeeld een harde schijf, is de kans op schade bij een valpartij ook niet heel erg groot. Eigenlijk is het een moderne laptop, maar dan zonder het ingebouwde scherm.

Wel maakt het apparaat een beetje een rommel van je bureau. Omdat alle poorten achterop zitten, moeten namelijk ook alle kabels daar naartoe worden geleid. Dat zijn in elk geval de stroomtoevoer en een hdmi-kabel, maar ook de kabel van je muis en andere accessoires loopt naar de achterkant van je bureau. Het vergelijk is misschien niet helemaal eerlijk, maar dat oogt minder elegant dan bij veel laptops, die door de komst van thunderbolt alles kunnen doen met één usb-c-kabeltje.

Conclusie

Wat kabelrommel zijn echter details in de marge waar velen die deze review lezen hun hand ook niet voor omdraaien. De basis van de Pi 400 staat als een huis: het is een prima computer voor alledaagse bezigheden, die zowaar gebruiksvriendelijk is voor zelfs de wat minder technisch aangelegde gebruikers. Met een lage prijs waardoor nagenoeg iedereen kan overwegen om er eentje in huis te halen.

De Pi 400 is een computer die zich niet alleen meer op de fanatieke hobbyist richt. Dit apparaat is reuze interessant voor iedereen die naast een smartphone ook weer een simpele computer in huis wil hebben, maar niet meteen honderden euro’s wil investeren. Het is ook een buitengewoon goede optie voor bijvoorbeeld het onderwijs, dat op het moment leunt op Chromebooks en iPads. Die werden lang gezien als goedkope optie, maar zijn inmiddels premium-apparaten vergeleken met de scherp geprijsde Pi 400.

De krachtige hardware, lage prijs en het toegankelijke ontwerp geven de Pi 400 de middelen om de wereld te veroveren. Of dat ook gaat lukken, hangt helemaal af van de marketingafdeling achter het tot nu toe kleine, Britse bedrijfje dat hem produceert.

Fantastisch
Plus- en minpunten
  • Goede hardware voor zijn prijs
  • Een Pi zonder gehobby
  • Veel opties qua besturingssystemen
  • Ander OS installeren nog complex
  • Kabelwirwar op je bureau
▼ Volgende artikel
Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?
Huis

Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?

Iedereen droomt weleens van een thuisbioscoop, maar groter is niet altijd beter. Een te groot scherm kan bijvoorbeeld zorgen voor vermoeide ogen of korrelig beeld. Ontdek hoe zaken als kijkafstand, de resolutie en de kijkhoek bepalen of een televisie daadwerkelijk in je woonkamer past.

In de felverlichte showroom van de elektronicawinkel lijkt die enorme 75-inch televisie waanzinnig indrukwekkend, maar eenmaal aan de muur in een doorsnee Nederlandse doorzonwoning kan zo'n gapend zwart vlak de ruimte volledig domineren. Veel consumenten denken onterecht dat een groter scherm automatisch garant staat voor een betere kijkervaring, ongeacht de afmetingen van de kamer. Toch is er een harde technische grens waarbij groot verandert in té groot, met hoofdpijn en onscherp beeld als direct gevolg. In dit artikel leer je precies hoe je die grens bepaalt en de ideale televisie kiest.

De kern van het probleem: resolutie en blikveld

Het probleem van een te grote tv is niet alleen esthetisch, maar vooral fysiologisch en technisch. Het draait allemaal om de verhouding tussen de resolutie (het aantal beeldpunten) en je blikveld. Zelfs bij moderne 4K-televisies zijn de pixels niet oneindig klein. Als je een enorm scherm neemt en daar te dicht op zit, trek je het beeld als het ware uit elkaar. Hierdoor verliest het beeld zijn scherpte en samenhang; je hersenen moeten harder werken om de losse informatie tot één geheel te smeden.

Een veelgehoorde misvatting is dat je simpelweg went aan elk formaat. Hoewel de eerste shock van een groot scherm inderdaad verdwijnt, blijft de fysieke belasting overeind. Als een scherm meer dan 40 graden van je horizontale blikveld inneemt, kun je niet meer het hele plaatje in één oogopslag zien. Je ogen moeten dan constant van links naar rechts scannen om de actie te volgen, vergelijkbaar met het kijken naar een tenniswedstrijd vanaf de eerste rij. Dat zorgt voor vermoeide ogen en kan op den duur zelfs leiden tot misselijkheid, ook wel 'cybersickness' genoemd.

©Gorodenkoff

Wanneer werkt een groot formaat wél goed?

Er zijn specifieke scenario's waarin een wandvullend scherm niet alleen kan, maar zelfs de voorkeur heeft. Dat geldt vooral als je de televisie primair gebruikt voor hoogwaardige content. Denk hierbij aan films op 4K Blu-ray of streamingdiensten die uitzenden in de hoogste bitrate, en uiteraard gaming op moderne consoles. In deze gevallen is de bronkwaliteit zo hoog dat je dichterbij kunt zitten zonder fouten in het beeld te zien.

Daarnaast werkt een groot formaat goed als de kijkafstand het toelaat. In moderne woningen met een open plattegrond of een loft-indeling staat de bank vaak wat verder van de muur. Als je kijkafstand meer dan 3 meter is, valt een 55-inch televisie al snel in het niet en moet je turen om details te zien. Een 65-inch of groter model herstelt in dat geval de balans en zorgt voor die gewenste bioscoopervaring, waarbij het scherm groot genoeg is om je onder te dompelen zonder dat je individuele pixels ziet.

Wanneer werkt dit níet goed?

De nadelen van een te grote tv worden pijnlijk duidelijk bij 'gewoon' tv-kijken. Veel lineaire televisieprogramma's, zoals het journaal, talkshows of sportuitzendingen via de kabel, worden niet in 4K uitgezonden, maar in Full HD of zelfs nog lager. Een enorme tv vergroot dat signaal genadeloos uit. Op een te groot scherm zie je dan plotseling ruis, compressieblokjes en onscherpe randen die op een kleiner scherm onzichtbaar zouden blijven. Het beeld oogt daardoor onrustig en rommelig.

Ook in de fysieke ruimte kan het tegenvallen. Een tv die uit staat is een groot, zwart en reflecterend vlak. In een compacte woonkamer zuigt een te groot scherm alle aandacht naar zich toe, zelfs als hij uitstaat. Zoiets verstoort de balans in je interieur en kan de kamer kleiner laten aanvoelen dan hij eigenlijk is. Daarnaast is de plaatsing van sfeerverlichting vaak lastiger; een gigantisch scherm blokkeert lichtinval of reflecteert lampen op een storende manier.

©RDVector

Als je té dicht op je televisie zit, kun je de kleurenleds van elkaar onderscheiden.

Dealbreakers: hier ligt de grens

Er zijn een paar harde grenzen die aangeven dat je beter een maatje kleiner kunt kiezen. Als je een van de onderstaande punten herkent, is dat een duidelijk signaal.

Je moet je hoofd fysiek draaien

Als je tijdens het kijken naar een film ondertiteling leest en daardoor de actie boven in het scherm mist, of als je je nek daadwerkelijk moet draaien om van de linker- naar de rechterhoek te kijken, is het scherm te groot voor je kijkafstand. Je verliest het overzicht.

De tv past fysiek niet op het meubel

Dit klinkt misschien logisch, maar wordt vaak genegeerd. Als de pootjes van de tv net aan op de rand van je tv-meubel balanceren, of als het scherm breder is dan het meubel zelf, oogt dat niet alleen goedkoop, het is ook onveilig. Een scherm dat buiten de kaders van het meubel steekt, is enorm kwetsbaar voor (om)stoten.

Je ziet pixels of rastervorming

Ga op je favoriete plek op de bank zitten. Zie je bij normaal HD-beeld een soort hordeur-effect of individuele blokjes? Dan zit je te dichtbij voor dat specifieke formaat. Dat is geen kwestie van wennen; het is een mismatch tussen resolutie, inch-maat en kijkafstand.

Wat betekent dit voor jouw situatie?

Om te bepalen of een tv past, moet je de rolmaat erbij pakken en even kritisch naar je eigen kijkgedrag kijken. De algemene vuistregel voor 4K-televisies is: meet de afstand van je ogen tot het scherm in centimeters en deel dat door 1,2 tot 1,5. De uitkomst is de ideale schermdiagonaal.

Zit je bijvoorbeeld op 2,5 meter (250 cm) van je scherm? Dan kom je uit op een schermdiagonaal tussen de 166 cm (65 inch) en 208 cm (82 inch). Maar let op: dat geldt alleen voor pure 4K-content. Kijk je veel normale televisie (praatprogramma's, nieuws)? Hanteer dan factor 2. Bij 250 cm afstand kijkt een scherm van 125 cm diagonaal (ongeveer 50 inch) dan vaak prettiger en rustiger. Ben je een fanatieke gamer of filmfanaat? Dan kun je de grens opzoeken. Ben je een casual kijker? Kies dan veilig voor een formaatje kleiner.

©BS | ID.nl

In het kort

Een televisie is te groot wanneer het beeld onscherp oogt of wanneer je fysiek je hoofd moet draaien om alles te kunnen volgen. Hoewel een groot scherm indrukwekkend lijkt, vergroot het bij standaard televisie-uitzendingen ook alle beeldfouten uit. De ideale grootte is een balans tussen kijkafstand en de kwaliteit van wat je kijkt. Meet daarom altijd de afstand tussen bank en muur, en wees realistisch over je kijkgedrag. Zo voorkom je hoofdpijn en blijft tv-kijken ontspannend.

▼ Volgende artikel
Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt
Huis

Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt

Het is ergens in 2025 als Fable voor het eerst, een soort van, getoond wordt. Beelden volgen elkaar in rap tempo op. We zien de dame die de hoofdrol lijkt te spelen, geen HUD en vooral heel veel mooie filmpjes. Daarna begint het wild speculeren, de klachten over het hoofdpersonage, de vraagtekens over de gameplay. Gelukkig was daar gister de Xbox Developer Direct, waar Microsoft eens te meer bewees de code gekraakt te hebben.

Vóór de pandemie, toen de Electronic Entertainment Expo (E3) nog bestond en online showcases, Directs en State of Plays nog niet echt een ding waren, wisten gameboeren hun spellen prima te verkopen. Ontwikkelaars verschenen op het podium tijdens liveshows, praatten over hun games, speelden live een demo (wat net zo vaak goed als faliekant misging) en dergelijke presentaties werden afgewisseld met teasers, hypetrailers en (nog verder terug) zelfs weleens grafieken en verkoopcijfers. Hoe anders is de wereld anno nu.

Watch on YouTube

Trailers vol trailers

Klaar zitten voor The Game Awards, een gemiddelde Direct, Showcase of Summer Game Fest is leuk, maar niet hetzelfde als ‘toen’. Want de formule is inmiddels bekend. Een half uur, een uurtje, een paar uur lang wordt er de ene na de andere trailer op je hersenen afgevuurd. Wat is ‘reclame’ en wat niet? Geen idee. Standaard zijn de animegames die elkaar zo rap opvolgen dat de gemiddelde kijker niet eens meer weet waar de ene game begint en de ander ophoudt. Meestal zit er een klapper aan het begin, waarna het grote wachten op de klapper aan het einde begint.

Vraag iemand een week later wat ie gezien heeft, en meer dan de helft van de getoonde games is waarschijnlijk uit het geheugen verdwenen.  En al die flarden van beelden zonder fatsoenlijke uitleg leiden vaker wel dan niet tot hetzelfde als die ene soort van trailer van Fable: speculaties, wild geroep en vraagtekens. Het komt de online discussie rondom games niet ten goede.

©Playground Games

Hoe anders was de inmiddels traditionele Xbox Developer Direct. Langer dan een uur, voor maar vier games. Die games kregen zodoende alle tijd, net als de ontwikkelaars. Gameplaybeelden zijn niet aan te slepen, verscheidene modi worden uitgebreid besproken en zelfs de kleinste details krijgen meer dan genoeg ademruimte. Zo horen we tijdens de Forza Horizon 6-presentatie dat het nummer van je eigen hangar (78) gekozen is omdat de game zich afspeelt in Japan, en die cijfers daar een positieve lading hebben. Fijn om te horen hoe scherp het oog voor detail van een ontwikkelaar is. Dat zegt iets over het project. En het is ook iets wat je never nooit in een hypetrailer van anderhalve minuut langs had zien komen.

Trailers vol trailers

En dus zit ik gisteravond te genieten. Niet eens per se van de games, want ze vallen net niet in mijn straatje. Forza Horizon 6 vind ik héél indrukwekkend en de game zal ongetwijfeld miljoenen spelers perfect bedienen, maar ik ben niet zo van het racen. Game Freak - de makers van Pokémon die eindelijk hun vleugels uitslaan met graphics uit dit decennium - komen met Beast of Reincarnation. Het ziet er oké uit. Double Fine vindt in mij ook geen fan en een multiplayer-pottenbakgame (Kiln) is niet iets wat hoog op mijn lijstje stond. Zelfs afsluiter Fable wist me met z’n levenssimulaties ook niet te overtuigen. Maar, nogmaals, wat heb ik genoten. Van ontwikkelaars die ruim de tijd kregen. Van de games, die van alle kanten belicht werden. Van de antwoorden die we kregen.

©Playground Games

Want wat ik nou precies van die games vond, is niet eens zo heel belangrijk. Veel belangrijker is dat iedereen dit keer in ieder geval een uitgebreid beeld kreeg van wat deze games nu precies worden. Een Xbox Developer Direct creëert geen valse hype. Van die vier getoonde games, weten we nu eigenlijk alles wat we redelijkerwijs moeten weten. Zoals bijvoorbeeld dat Fable een character creation-modus heeft, om maar iets te noemen. En plots zie je de discussies rondom de games gaan om… de inhoud. En niet op wilde speculaties rondom hoofdpersonages die helemaal niet vast blijken te staan. Love it.