In de periode 1995-2006 is het aantal telecomwinkels in ons land explosief toegenomen. Daarnaast is zowel het aantal mobiele-telefoonaansluitingen als de uitgaven aan mobiele telefoons de afgelopen jaren flink gegroeid. Dat maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek zojuist bekend.
Op 1 januari 2006 telde Nederland 900 telecomwinkels, tegen 115 op 1 januari 1995. Dat is bijna acht keer zoveel. In Zuid-Holland en Limburg was de stijging het grootst, in Overijssel het kleinst. Dat betekent dat Nederland begin 2006 gemiddeld ruim 5 telecomwinkels per 100.000 inwoners telde. Het aantal telecomwinkels was het hoogst in Noord-Holland (8 per 100.000 inwoners) en Zuid-Holland (6 per 100.000 inwoners). De Noordelijke Randstadvleugel is met bijna 10 zaken per 100.000 inwoners het meest winkeldicht. In Drenthe en Groningen is de winkeldichtheid het laagst met 3 per 100.000 inwoners.
De stijging van het aantal telecomwinkels ging (uiteraard) gepaard met een toenemend bezit van mobieltjes. In 1995 had Nederland drie mobiele-telefoonaansluitingen per 100 inwoners. In 2005 zijn dit er al 100. Alleen in Finland en het Verenigd Koninkrijk zijn er meer aansluitingen (102 en 109 per 100 inwoners).
In 2005 had nog maar 9 procent van de Nederlandse huishoudens géén mobiele telefoon. Daarentegen had 4 procent van de huishoudens alleen een mobiele-telefoonaansluiting.
Nederlanders geven steeds meer uit aan de mobiele telefoon en gesprekskosten. Bedroegen de totale kosten voor mobiel bellen in 1998 nog gemiddeld 78 euro per jaar, in 2005 is dit 305 euro. Een flinke stijging dus. De uitgaven aan vaste telefonie voor een gemiddeld gezin zijn sinds 1998 ook gestegen, maar minder explosief: in 1998 kostten het abonnement en gesprekskosten van de vaste telefoonverbinding nog gemiddeld 364 euro per jaar, in 2005 592 euro.

















