ID.nl logo
Een sjabloon maken in Word doe je zo
© Reshift Digital
Huis

Een sjabloon maken in Word doe je zo

Wanneer je Word gebruikt, is de kans groot dat je een even snel een nieuw document start. Word pakt dan het standaardsjabloon, waarin de standaardopmaak is bepaald. Dat werkt prima, maar je kunt zelf ook heel eenvoudig een sjabloon maken, bijvoorbeeld voor je facturering. Zo’n sjabloon zorgt ervoor dat je niet elke keer dezelfde handelingen opnieuw hoeft uit te voeren, terwijl je document er toch altijd consistent uitziet.

Tip 01: Waarom sjablonen?

Je zou je kunnen afvragen waarom een sjabloon nuttig is. Wanneer je factureert, de situatie die we in dit artikel als voorbeeld nemen, kun je immers net zo eenvoudig de vorige factuur openen, de gegevens daarin wijzigen, en het document opslaan als nieuw bestand. Dat kán inderdaad en negen van de tien keer zal dat ook goed gaan. Er komt echter geheid een keer dat je een foutje maakt en het nieuwe bestand opslaat onder de oude naam, en dan ben je dus het oude bestand kwijt. Dat kan vervelende gevolgen hebben. Daarnaast, wanneer je hetzelfde document keer op keer aanpast en onder een andere naam opslaat, sluipen er langzaam maar zeker kleine wijzigingen in. Je kiest per ongeluk een keer een ander lettertype, je verschuift een plaatje, enzovoort. Allemaal niet rampzalig, maar wanneer je een sjabloon gebruikt, weet je zéker dat de stijl, opmaak én het uiterlijk altijd hetzelfde zijn, en je loopt geen risico om oude documenten te overschrijven.

©PXimport

Tip 02: Bestaand ontwerp

We gaan in dit artikel een sjabloon maken voor facturering. Dat we een sjabloon gaan maken, wil natuurlijk niet zeggen dat we dat per definitie echt helemaal vanaf de basis op moeten bouwen. Hoe je een sjabloon maakt telt immers niet, het betekent alleen maar dat je vanaf nu altijd een document maakt met een consistent uiterlijk. Dit betekent dus ook dat je prima één van de voorbeeldsjablonen van Microsoft kunt gebruiken en die kunt opslaan als je eigen sjabloon. Dat kan je uiteraard een hoop werk en tijd schelen. Je vindt deze sjablonen door in Word te klikken op Bestand / Nieuw en vervolgens een keuze te maken uit de honderden sjablonen die Microsoft ter beschikking heeft gesteld. Heb je al een document met een opmaak die je mooi vindt, dan kun je dat document uiteraard ook gebruiken als sjabloon. In dat geval kun je direct naar stap 9 gaan om te zien hoe je je document opslaat als Word-sjabloon en ervoor zorgt dat Word dit sjabloon standaard gebruikt bij het maken van nieuwe documenten.

©PXimport

Controleer of je printer afdrukken zonder witranden ondersteunt

-

Tip 03: Opmaakstijlen

In de vorige editie van Tips en Trucs hebben we besproken hoe je een fraai ogend Word-document maakt, waarin we ook hebben besproken wat opmaakstijlen zijn. Dit element is ook nu weer relevant, want de opmaakstijlen zorgen ervoor dat je document, of het nu een factuur is, een menukaart of iets anders, elke keer voldoet aan precies dezelfde opmaakvoorwaarden. Hoe je opmaakstijlen toepast hoeven we je dus niet meer te vertellen, wél is het belangrijk om te weten dat je zelf kunt bepalen hoe deze opmaakstijlen eruitzien. Standaard gebruikt de opmaakstijl Titel namelijk het lettertype Calibri Light, met een grootte van 28, en Kop 1 hetzelfde lettertype met een grootte van 16. Jij kunt zelf bepalen of je dit in jouw sjabloon zo wilt houden of niet. Rechtsklik op de betreffende stijl en klik op Wijzigen. Je kunt nu wijzigen welk lettertype je wilt gebruiken en met welke grootte voor deze stijl. Een interessante optie is Volgende alinea. Hiermee geef je namelijk aan welke stijl moet worden toegepast wanneer je op enter drukt. Stel bijvoorbeeld dat je na de stijl Titel altijd de stijl Ondertitel wilt toepassen, dan kies je bij het bewerken van de stijl Titel dus Ondertitel in bij het veld Volgende alinea. Zo hoef je dit soort dingen dus niet meer telkens handmatig te doen en kun je het ook niet vergeten.

©PXimport

Tip 04: Witranden

Voor we grafische elementen gaan toevoegen aan ons sjabloon, is het belangrijk dat je even stilstaat bij de printer die je gaat gebruiken. Sommige printers hebben de mogelijkheid om zonder witranden te printen. Als je zo’n printer hebt, dan is het geen enkel probleem om de grafische elementen die we gaan toepassen helemaal tot de rand van het papier te plaatsen. Kan jouw printer echter niet zonder witte rand printen, dan zal het resultaat op papier niet hetzelfde zijn als wat je op je computer ziet, en dat is natuurlijk jammer. Voor je een beslissing neemt, controleer eerst even of je printer wel of niet zonder witte randen kan printen. Vaak kunnen printers het namelijk prima, maar ben je je als gebruiker daar simpelweg niet van bewust omdat het niet de standaardinstelling is. Je vindt deze informatie in de eigenschappen van je printer.

©PXimport

Tip 05: Grafische elementen

Om ons briefpapier voor de facturatie wat op te leuken, gaan we uiteraard een logo toevoegen en wat fraaie grafische elementen. Dat gaan we doen op een wat vreemde manier. We voegen alles namelijk toe als koptekst. De reden daarvoor is dat de grafische elementen dan vergrendeld raken, waardoor ze niet in de weg zitten tijdens het typen van alle andere inhoud van je document, en daarnaast krijgen ze een beetje een verwassen uiterlijk, wat bij briefpapier altijd prima werkt, omdat het gaat om de inhoud en niet om de grafische elementen. Om het gedeelte van de koptekst te activeren, dubbelklik je helemaal bovenin je document. Daarna klik je op Afbeeldingen in het Lint en selecteer je het logo dat je wilt toevoegen. Zodra je dit hebt gedaan, klik je op het pictogram rechtsboven de afbeelding (met het halve maantje) en daarna op de optie Voor tekst. Dit zorgt ervoor dat je de afbeelding helemaal naar de hoek van het document kunt slepen, zonder gehinderd te worden door documentmarges. In het tabblad Invoegen in het Lint kies je nu voor Tekstvak in het onderdeel Tekst (rechts van het midden) om een mooi tekstvak toe te voegen voor aan de zijkant. Hier kun je relevante informatie plaatsen.

©PXimport

Pas de marges aan zodat je tekst niet over je grafische elementen valt

-

Tip 06: Marges

Wanneer je dubbelklikt buiten het gedeelte van de koptekst, keer je terug naar het reguliere gedeelte van je document, en zul je zien dat de elementen die je net hebt toegevoegd wat verwassen ogen, en ook niet meer te verslepen zijn, dat is precies wat we willen. Er is echter wel een probleem: wanneer je nu gaat typen, zul je zien dat de tekst geen rekening houdt met de zijbalk en daar gewoon overheen gaat. Dat willen we natuurlijk voorkomen. Daar gebruiken we de documentmarges voor. Wanneer je in het Lint klikt op Beeld, en vervolgens op Lineaal, dan zul je zien dat je bovenin een grijs gebied ziet dat precies aangeeft waar je tekst links begint, en rechts afbreekt. Die scheidingslijn tussen wit en grijs kun je verslepen. Versleep deze tot voorbij het gedeelte waar de zijbalk met grafische elementen ophoudt. Op die manier vertel je Word precies waar de tekst voortaan moet worden afgebroken, en is het onmogelijk dat er nog tekst over de grafische elementen wordt geplaatst.

©PXimport

Tip 07: Vervolgpagina

Het staat prima zo, dat logo rechtsboven met die mooie zijbalk. Er is ook niets mis mee wanneer je telkens een document afdrukt met slechts één pagina. Gaat het om een document met tien pagina’s, realiseer je dan dat je ook tienmaal die gekleurde zijbalk met het logo afdrukt. Dat is misschien niet helemaal waar je op zit te wachten, want het is zonde van je inkt. Wat je in dit geval kunt doen, is aangeven dat je eerste pagina anders moet zijn dan de rest. Je doet dit door te klikken op Lege pagina in het tabblad Invoegen in het Lint en vervolgens op die nieuwe pagina te dubbelklikken op het koptekstgedeelte. Bovenin het gedeelte Opties in het Lint zie je nu de optie Eerste pagina afwijkend. Vink deze aan. Een beetje irritant is nu dat Word de grafische elementen uit de eerste pagina verwijdert, maar dat kun je eenvoudig herstellen door op de tweede pagina alles te knippen (eerst Ctrl+A, daarna Ctrl+X) en daarna te plakken in het koptekstgedeelte van de eerste pagina (Ctrl+V). Daarna kun je op de tweede pagina aangeven hoe je vervolgpagina’s eruit komen te zien, bijvoorbeeld met een heel klein randje aan de zijkant.

©PXimport

Tip 08: Standaardelementen

Doorgaans zijn het logo, de achtergrondafbeeldingen, de kopstijlen enzovoort de enige elementen die telkens terugkomen. Er is echter een bewuste reden dat wij als voorbeeld hebben gekozen voor facturatie, en dat is dat een factuur natuurlijk altijd bestaat uit dezelfde elementen, waaronder een tabel met daarin de bedragen, een gedeelte voor het factuurnummer enzovoort. Het is daarom goed om te weten dat je ook dit soort elementen gewoon kunt opnemen in je slaboon. Wanneer je het document, in ons geval de factuur, altijd begint met een tabel op de eerste pagina, dan kun je die tabel ook gewoon toevoegen in je sjabloon. Je hoeft niet bang te zijn dat al die informatie op elke pagina wordt herhaald: dat geldt écht alleen voor de elementen die je toevoegt in de kop- en voettekst van het document.

©PXimport

Tip 09: Sjabloon standaard

Wanneer je het ‘skelet’ van je document, oftewel alle basiselementen zonder de dingen die elke keer anders zijn, hebt gemaakt, dan kun je je document opslaan als sjabloon. Je doet dit door te klikken op Bestand / Opslaan als, en vervolgens op Bladeren om een locatie te selecteren waarin je je sjabloon wilt opslaan. Geef je sjabloon vervolgens een naam en klik op het uitklapmenu waar je de tekst Word-document (*.docx) ziet staan. In dit uitklapmenu klik je vervolgens op Word-sjabloon (*.dotx). Wanneer je voortaan dubbelklikt op dit bestand, wordt je sjabloon geopend en kun je aan de slag. Wil je het nog makkelijker maken voor jezelf, dan kun je ook het standaardsjabloon van Word vervangen (denk er wel aan dat dan áltijd dit sjabloon wordt geopend). In dit geval sla je je sjabloon dus op als Normal.dotx in de map C:\Users\gebruikersnaam\AppData\Roaming\Microsoft\Templates (waarbij “gebruikersnaam” uiteraard je Windows-gebruikersnaam is). Overigens kun je dit eenvoudig ongedaan maken door Normal.dotx weg te gooien, waarna Word een nieuwe aan zal maken met de standaardinstellingen.

©PXimport

Tip 10: Sjabloon inzetten

Wanneer je een nieuw document opent met je sjabloon, is het enige dat je hoeft te doen de inhoud van je document in te vullen. Je hoeft je geen zorgen meer te maken om de opmaak, het lettertype of de plaatsing van je grafische elementen: dit heb je allemaal afgevangen in je sjabloon. Dat betekent trouwens niet dat je al deze elementen niet aan kúnt passen. Als je dubbelklikt op het gedeelte met de koptekst kun je gewoon aanpassingen doen, maar het idee achter het sjabloon is uiteraard dat dit dus niet meer hoeft.

©PXimport

▼ Volgende artikel
AMD hint naar komst van nieuwe Xbox in 2027
© Reshift Digital BV
Huis

AMD hint naar komst van nieuwe Xbox in 2027

AMD lijkt te hinten naar de mogelijkheid dat de volgende generatie Xbox-console in 2027 verschijnt.

Tijdens de bekendmaking van fiscale kwartaalcijfers meldde Lisa Su, de ceo van AMD, het volgende (via PC Mag): "Qua producten loopt Valve op schema om begin dit jaar de op AMD-technologie draaiende Steam Machine uit te brengen, en de ontwikkeling van Microsofts volgende generatie van Xbox met een deels op maat gemaakte SoC boekt progressie om een release in 2027 te ondersteunen."

Met SoC bedoelt Su 'system-on-a-chip', waarbij de meeste componenten die nodig zijn voor een computer of console op een allesomvattend circuit geplaatst worden. Dit is meestal de standaard bij spelcomputers.

2027 of later?

Microsoft kondigde eerder al aan dat het samen met AMD aan een nieuwe console werkt, maar een precieze releasedatum werd toen niet gegeven. Gezien Su's opmerking, lijkt AMD dus te verwachten dat de spelcomputer in 2027 verschijnt.

Dit terwijl de PlayStation 6 - Sony's nieuwe console - volgens geruchten mogelijk intern wordt uitgesteld zodat het pas later dit decennium verschijnt. Dit deels vanwege de stijgende kosten voor RAM in verband met de benodigdheden voor het draaiende houden van AI in combinatie met het huidige economische milieu. Officieel is niet bekend wanneer de PS6 uit moet komen, maar in deze column stelden we onlangs dat het geen slecht idee is om de console pas over een aantal jaar uit te brengen.

Wat weten we over de nieuwe Xbox?

Microsoft bevestigde eerder al dat de volgende Xbox veel eigenschappen zal delen met pc's. Zo zouden er meerdere gamewinkels op beschikbaar komen naast de Xbox Store zelf - net zoals de uitgekomen ROG Xbox Ally dus. Dat zou betekenen dat bijvoorbeeld Steam en Epic Games Store ook op het apparaat te bezoeken zijn, en er via die weg pc-games gekocht kunnen worden.

Begin dit jaar kwamen er ook geruchten naar buiten dat de nieuwe Xbox-interface zou draaien op de Full Screen Experience van de Xbox pc-app, dat onderdeel uitmaakt van Windows. De volgende Xbox zou volgens geruchten draaien op de AMD Magnus APU, die inderdaad CPU en GPU in één chip combineert.

Nieuw op ID: het complete plaatje

Misschien valt het je op dat er vanaf nu ook berichten over games, films en series op onze site verschijnen. Dat is een bewuste stap. Wij geloven dat technologie niet stopt bij hardware; het gaat uiteindelijk om wat je ermee beleeft. Daarom combineren we onze expertise in tech nu met het laatste nieuws over entertainment. Dat doen we met de gezichten die mensen kennen van Power Unlimited, dé experts op het gebied van gaming en streaming. Zo helpen we je niet alleen aan de beste tv, smartphone of laptop, maar vertellen we je ook direct wat je erop moet kijken of spelen. Je vindt hier dus voortaan de ideale mix van hardware én content.

▼ Volgende artikel
Je NAS veilig bereiken via een VPN-server, Tailscale of Cloudflare-tunnel
© ER | ID.nl
Huis

Je NAS veilig bereiken via een VPN-server, Tailscale of Cloudflare-tunnel

Wil je een NAS op afstand gebruiken, dan doe je dat liefst natuurlijk veilig. Bijvoorbeeld door een VPN-server op te zetten, of een tunnel met extra toegangscontrole. Hiervoor zijn diensten als Tailscale en Cloudflare heel geschikt. In deze masterclass nemen we de beste opties met je door. We leggen uit wat de voor- en nadelen zijn en hoe je ze kunt gebruiken in combinatie met een NAS.

Een NAS is breed inzetbaar en bij veel huishoudens de spil in het netwerk. Je kunt niet alleen je documenten centraal bewaren, maar ook bijvoorbeeld media streamen naar je tv, foto’s bekijken op je tablet en talloze extra toepassingen installeren. Heb je (een deel van) deze toepassingen ook af en toe op afstand nodig? Het openzetten van een poortje in de router of het gebruik van een reverse proxy kan daarvoor een prima optie zijn. Maar publieke toegang is niet altijd nodig. Er zijn betere opties als je vooral voor jezelf goed beveiligde externe toegang tot je NAS nodig hebt. Een eenvoudige optie is een cloudservice van de fabrikant, zoals Synology QuickConnect. Betere en veiligere opties zijn een VPN-server met een protocol als OpenVPN of WireGuard, Tailscale (dat op de achtergrond met WireGuard werkt) of een Cloudflare-tunnel. In deze masterclass leggen we uit hoe je ze gebruikt. Wat je kiest, hangt ook af van je doel. Bij elke optie behandelen we de eventuele beperkingen. Voordat je begint, is het ook verstandig de beveiliging van je NAS nog even door te lichten (zie kader).

Optimale beveiliging voor je NAS

Bij het openstellen van je NAS is een goede beveiliging extra belangrijk. Ongeoorloofde toegang tot je NAS zul je altijd willen voorkomen. Gebruik altijd sterke wachtwoorden voor je gebruikersaccounts. Deactiveer bovendien de algemene accounts zoals admin en guest. Zet tweestapsverificatie aan. Hierbij wordt na het inloggen om een extra toegangscode gevraagd die je kunt genereren met een app op je smartphone. Op vertrouwde apparaten hoef je dat maar één keer te doen. Bij Synology vind je deze opties in je configuratiescherm, onder Beveiliging / Account. Je kunt kiezen voor welke gebruikers dit moet worden ingeschakeld. Bij QNAP ga je hiervoor in je configuratiescherm naar Systeem / Beveiliging. Open dan het tabblad Verificatie in 2 stappen. Maak ook gebruik van de ingebouwde firewall van je NAS, waarin je toegangsregels kunt instellen! In deze masterclass geven we daar tips voor. Zorg ten slotte dat je een goede back-upstrategie hebt voor de bestanden op je NAS.

Het is verstandig om tweestapsverificatie aan te zetten op je NAS.

Wat is een cloudservice?

Via een cloudservice kun je toegang tot een NAS vereenvoudigen door een soort tunnel op te zetten. Bij Synology heet dit QuickConnect, QNAP noemt het myQNAPcloud link. Hierbij wordt vanaf de NAS een uitgaande verbinding opgezet met een server, waardoor het firewalls omzeilt (ook die in je NAS!). De NAS geef je een herkenbare naam, ook wel QuickConnect ID of QNAP ID genoemd, die je ook gebruikt om te verbinden. Hierbij wordt eerst geprobeerd rechtstreeks verbinding te maken, wat ook het meest efficiënt is. Als dat mislukt, wordt de verbinding automatisch omgeleid via een relayserver, die als tussenpersoon het verkeer doorstuurt. De snelheid kan dan minder hoog zijn. We noemen hieronder alleen de dienst van Synology, omdat het een betere bescherming biedt en een betere reputatie heeft dan myQNAPcloud link. Zorg wel altijd zelf voor een goede basisbeveiliging. Overweeg veiligere methoden zoals een VPN of Tailscale. Het is veiliger en je bent niet afhankelijk van andere partijen (zoals een relayserver).

Diensten als myQNAPcloud link creëren een soort tunnel naar je NAS.

Synology QuickConnect

Bij Synology QuickConnect koppel je eerst je NAS aan een Synology-account. Daarna kun je een QuickConnect ID kiezen. Je NAS is daarna bereikbaar vanuit de Synology-apps of een browser via het adres https://quickconnect.to/ met daarachter de QuickConnect ID. Dit werkt ook bij een dynamisch ip-adres, dus je hoeft niet apart een Dynamic DNS-functie (DDNS) te gebruiken. Om QuickConnect te gebruiken open je Configuratiescherm. Ga dan naar Externe toegang. Zet een vinkje bij QuickConnect inschakelen. Hierna moet je je aanmelden met je Synology-account of een nieuw account maken. Vervolgens kies je een QuickConnect ID. Via de instellingen kun je nog kiezen of de relayserver mag worden gebruikt en welke toepassingen via QuickConnect toegankelijk zijn.

Via de instellingen kies je welke toepassingen toegankelijk moeten zijn.

Wat is VPN?

Door een VPN-server te installeren, heb je een ideale voorziening om op afstand je netwerk te bereiken en alle apparaten op dat netwerk, zoals je NAS, netwerkprinters en camera’s. Je installeert de VPN-server op één systeem, zoals een router, server, Raspberry Pi of je NAS. Bij Synology kun je bijvoorbeeld standaard met OpenVPN werken en QNAP ondersteunt het snellere WireGuard. We laten zien hoe je deze opties gebruikt. Na inloggen heb je volledige toegang tot je netwerk en alle toepassingen in het netwerk, alsof je rechtstreeks op het netwerk zit. Voor toegang tot bestanden op je NAS werken daarom alle protocollen als smb, nfs en WebDAV en toepassingen als Synology Drive en QNAP File Station. Je hoeft geen poorten in je router open te zetten, behalve een enkele poort naar de VPN-server.

Bij QNAP kun je standaard werken met WireGuard.

OpenVPN op Synology

Om je Synology-NAS als VPN-server in te zetten, kun je de toepassing VPN Server installeren via Package Center. Gebruik je een firewall, controleer dan of de benodigde poorten toegankelijk zijn. Bij de installatie kun je die aanpassing via een venster direct doorvoeren. Afhankelijk van het protocol moet je ook nog één of meerdere poorten doorsturen van je router naar je NAS. De toepassing ondersteunt PPTP, OpenVPN en L2TP/IPSec. Eigenlijk is vooral OpenVPN interessant. Het is veilig en stabiel, maar niet zo snel als WireGuard. Ook geeft het soms wat uitdagingen bij het opzetten van de verbinding.

Synology ondersteunt meerdere protocollen, waaronder OpenVPN.

Activeren OpenVPN

Om OpenVPN te gebruiken open je VPN Server. Ga dan naar OpenVPN. Zet een vinkje bij OpenVPN-server inschakelen. Bij Dynamisch ip-adres zie je het subnet dat OpenVPN gebruikt. De verbonden clients krijgen een ip-adres in dat bereik. Bij Poort en Protocol zie je dat standaard udp-poort 1194 wordt gebruikt. Die poort moet je doorsturen van je router naar je NAS. Controleer of de poort toegankelijk is in de firewall van je NAS. Voor een goede balans tussen snelheid en veiligheid kun je bij Codering bijvoorbeeld AES-128-CBC kiezen en bij Verificatie de optie SHA256. De optie Compressie op de VPN-koppeling inschakelen mag uit, omdat het weinig snelheidswinst geeft. Zet de optie Clients toegang geven de LAN-server aan, zodat je andere apparaten in je thuisnetwerk kunt bereiken. Zet ook de optie Verifieer TLS auth-sleutel aan. Klik op Toepassen om de instellingen te activeren. Je kunt nu clients gaan configureren.

Bij OpenVPN kun je zelf nog enkele instellingen kiezen.

Profiel voor OpenVPN

Ga naar OpenVPN en kies Configuratie exporteren om het configuratiebestand te exporteren als zip-bestand. Hierin vind je een .ovpn-bestand dat je nodig hebt voor toegang. Je hebt ook een gebruikersaccount nodig bij het inloggen. Onder Rechten kun je aanvinken welke gebruikers toegang hebben en via welke protocollen. Maak eventueel een nieuwe gebruiker voor alleen de VPN-verbinding! Open het bestand VPNConfig.ovpn met een teksteditor. Omdat je de VPN-server extern wilt gebruiken, verander je in onderstaande regel YOUR_SERVER_IP naar je ip-adres van je internetverbinding of de hostnaam als je bijvoorbeeld Dynamic DNS gebruikt. Synology ondersteunt ook Dynamic DNS en geeft bijvoorbeeld een naam.synology.me-adres. Je kunt het activeren in je configuratiescherm onder Externe toegang / DDNS. Het gaat om deze regel:

remote YOUR_SERVER_IP 1194

Je ziet ook de onderstaande optie. Haal hier eventueel het commentaarteken weg als je wilt dat ál het verkeer, dus ook het normale internetverkeer, via de VPN-server gaat. Dat geeft minder goede prestaties, maar is wel veiliger als je bijvoorbeeld een openbare wifi-hotspot gebruikt. Dit is de regel waar je het commentaarteken weg kunt halen:

#redirect-gateway def1

Gebruik dit profiel om verbinding te maken vanaf andere apparaten. Zet hierbij de optie aan dat zonder certificaat verbinding mag worden gemaakt.

WireGuard op QNAP

We zullen laten zien hoe je WireGuard op je QNAP-NAS gebruikt in combinatie met een Windows-client. Voor meer informatie over WireGuard en het opzetten van een aparte VPN-server verwijzen we je naar een eerder artikel dat je kunt lezen via www.kwikr.nl/wgvpn waarin dat uitgebreid aan bod komt. Zorg bij QNAP dat de toepassing QVPN Service is geïnstalleerd via App Center. Open dan de toepassing en ga naar WireGuard. Zet een vinkje bij WireGuard VPN-server inschakelen. Vul een naam in achter Servernaam. Klik achter Persoonlijke sleutel op Codeparen genereren. Noteer de waarde bij Openbare sleutel: die is straks nodig bij de configuratie van clients. Achter Luisterpoort zie je de poort (udp) die je moet doorsturen in de router. Bij DNS Server vul je een openbare DNS-server in (zoals 8.8.8.8) óf een DNS-server in je lokale netwerk. Klik op Toepassen om de instellingen te bewaren. Klik op Peer toevoegen. Hier kun je clients toevoegen (zie volgende stap).

De instellingen voor WireGuard bij een NAS van QNAP.

Client instellen

Elk apparaat dat verbinding met WireGuard maakt, is een zogenoemde peer. Voor het toevoegen van een apparaat kies je bij QNAP de optie Peer toevoegen. Vul een herkenbare naam in. De waarde bij Openbare sleutel komt bij deze ‘peer’ vandaan, die gaan we nu eerst instellen. Installeer en open de Windows-client en kies de optie Add Empty Tunnel. Er worden een privé- en openbare sleutel gegenereerd. Er opent een configuratiebestand met de privésleutel waarin je onder andere deze twee regels ziet:

[Interface]

PrivateKey = +MSQ3D2+M71SotRrWC3hnPyzYSTWNuaxWwc920=

Vul deze configuratie verder aan zoals in het voorbeeld hieronder. Bij Address kies je een vrij ip-adres binnen het VPN-subnet, dat nog niet door een andere peer wordt gebruikt. Je kunt dit voor elke client ophogen, dus 198.18.7.2/32, 198.18.7.3/32, en zo verder. Belangrijk is dat je bij PublicKey de openbare sleutel die QNAP laat zien invult. Bij Endpoint vervang je ipadres door het ip-adres (of de hostnaam) van je internetverbinding thuis. Dit is de configuratie die je moet aanpassen:

[Interface]

PrivateKey = +MSQ3D2+M71SotRrWC3hnPyzYSTWNuaxWwc920=

ListenPort = 51820

Address = 198.18.7.2/32

DNS = 1.1.1.1

[Peer]

PublicKey = KsCc+cRucH4F8T3VdyatvZXjqvunEerBZapulE=

AllowedIPs = 0.0.0.0/0

Endpoint = ipadres:51820

Bewaar de configuratie met Save. Kopieer nu de waarde bij Public key van deze client. Je leest deze af in het hoofdvenster van WireGuard (zorg dat de bewuste tunnel is geselecteerd). Plak deze in QNAP bij Openbare sleutel bij de configuratie van deze peer. Je kunt nu verbinding maken met je Windows-client!

Voltooi de configuratie voor de Windows-client voor WireGuard.

Firewall instellen voor je NAS

Een firewall op je NAS biedt extra bescherming. Bij Synology open je daarvoor Configuratiescherm. Ga dan naar Beveiliging en open het tabblad Firewall. Zet een vinkje bij Firewall inschakelen en kies Toepassen. Bij Firewallprofiel kun je een profiel kiezen of bewerken. Kies Regels bewerken om het huidige profiel aan te passen. Begin met een regel die alle apparaten op het lokale netwerk toestaat. Kies bij die regel bij Poorten de optie Alles. Bij Bron-IP kies je Specifiek ip. Klik daarachter op Selecteren en kies Subnet. Je moet hier het netwerkbereik van je router kennen. In veel gevallen is dat iets als 192.168.1.0 met subnetmasker 255.255.255.0. Dit omvat dan alle adressen van 192.168.1.0 t/m 192.168.1.255. Voeg hierna nog specifieke regels toe voor toepassingen die van buitenaf toegang moeten hebben. In dit voorbeeld staan we bijvoorbeeld SSH toe vanaf een bepaald ip-adres. Heel belangrijk is dat je als laatste een regel toevoegt die alles blokkeert. De regels worden namelijk van boven naar beneden doorlopen en bij de eerste match stopt de verwerking. Het configuratiescherm van QNAP biedt ook een firewall, maar dat is meer een soort toegangsfilter. Voor uitgebreidere opties kun je QuFirewall installeren via App Center.

Het is raadzaam om de firewall op je NAS te gebruiken voor toegangsbeperking.

Wat is Tailscale?

Met Tailscale kun je een virtueel privénetwerk maken tussen al je apparaten. Dit gebeurt op basis van identiteit, met bijvoorbeeld een standaard Google-account voor autorisatie. Je kunt alle toegevoegde apparaten benaderen via een intern ip-adres of de toegekende hostnaam. Tailscale gebruikt dezelfde technologie als WireGuard, wat het snel, veilig en betrouwbaar maakt. Je hebt geen centrale server nodig en hoeft ook geen poorten in je router open te zetten. Wel moet je elk apparaat in principe afzonderlijk aan je privénetwerk toevoegen. Dat is eenvoudig, ook voor een NAS, zoals je hieronder ziet. Als alternatief kun je Tailscale ook op één apparaat in je netwerk installeren en dat apparaat als subnetrouter instellen, zodat je via dat ene systeem toegang hebt tot alle andere apparaten in je netwerk. In dat geval hoef je Tailscale niet op elk afzonderlijk apparaat te installeren. Meer uitleg over Tailscale vind je in dit artikel.

Met Tailscale kun je een privénetwerk voor je apparaten maken.

Eerste stappen

Ga naar https://tailscale.com en kies de optie Get started. Log in met een van de ondersteunde identiteitsproviders, bijvoorbeeld een standaard Google-account of een van de andere opties. Hierna wordt automatisch je Tailscale-netwerk, of kortweg tailnet, gemaakt. Dat is een soort privé-VPN-netwerkje waar jouw apparaten deel van uit gaan maken. Als je op een ander apparaat inlogt met datzelfde account, is het bereikbaar vanuit je andere apparaten in dit tailnet. Een gratis account ondersteunt tot drie gebruikers en honderd apparaten.

Log in bij Tailscale met bijvoorbeeld je Google-account.

Apparaten toevoegen

Het toevoegen van apparaten is eenvoudig. Het volstaat om de software te installeren en in te loggen met dezelfde identiteitsprovider. Om Tailscale bijvoorbeeld op een iPad te gebruiken, installeer je eerst de toepassing via de App Store. Hierbij wordt een VPN-configuratie voor je iPad gemaakt. Daarna log je in en zie je een lijst met apparaten in je privénetwerkje, waarbij je ook de namen af kunt lezen.

Op een iPad maakt Tailscale een VPN-profiel aan.

Tailscale op je NAS

Je kunt Tailscale ook op een NAS installeren. Bij Synology zoek je daarvoor in Package Center naar Tailscale. Bij QNAP kun je in App Center terecht. Installeer en open de toepassing. Er wordt gevraagd om in te loggen, waarbij je weer hetzelfde account als hiervoor gebruikt. Zet daarna de verbinding op via Connect. Als je nog een keer de Tailscale-app opent, kun je details zien over het bewuste apparaat, zoals het ip-adres en de hostnaam die je kunt gebruiken om verbinding te maken.

Tailscale is als pakket beschikbaar voor Synology en QNAP.

Wat is een Cloudflare-tunnel?

Bij een Cloudflare-tunnel installeer je op één systeem in je netwerk (bijvoorbeeld je NAS) een klein programma, dat van binnenuit een versleutelde verbinding opzet naar Cloudflare. Daarna kun je toepassingen individueel toevoegen die deze tunnel mogen gebruiken. Daarbij kun je elke toepassing een eigen subdomein geven, zoals nas.domein.nl voor je NAS. De tunnel laat geen netwerkprotocollen zoals SMB en NFS door en WebDAV is een uitdaging. Het is vooral bedoeld voor webverkeer. Je kunt incidenteel wel bijvoorbeeld DS File gebruiken, voor het browsen door je bestanden en kleine uploads of downloads.

Bij Cloudflare kun je gratis een tunnel opzetten voor toegang op afstand.

Domein registreren

Log in bij Cloudflare met een bestaand account of maak een nieuw gratis account. Registreer een domeinnaam via Add / Register a domain of voeg een bestaand domein toe via Add / Connect a domain. In dat laatste geval moet je de DNS-instellingen bij je huidige provider aanpassen, zodat de nameservers naar die van Cloudflare verwijzen. Afhankelijk van de extensie betaal je bij Cloudflare vanaf zo’n 6 dollar per jaar (circa 6 euro) per domein. Je kunt een domein eventueel direct voor meerdere jaren registreren of voor automatische verlenging kiezen. Betalen kan met creditcard of PayPal. In je dashboard vind je je domein terug onder Domain registration / Manage domains.

Registreer tegen lage kosten een domein bij Cloudflare.

Tunnel voorbereiden

Ga via het menu aan de linkerkant naar Zero Trust. Klik dan op Networks en kies Tunnels. Klik op Create a tunnel. Selecteer de optie Cloudflared. Geef je tunnel een naam. Vervolgens moet je een zogeheten connector installeren op één systeem in je netwerk om een tunnel te maken. Alle toepassingen die je straks via de Cloudflare-tunnel gaat publiceren, moeten bereikbaar zijn vanaf dat systeem. Dat is meestal alleen een probleem bij gescheiden netwerken of strikte firewallregels. Installeer Cloudflared volgens de instructies op een systeem dat altijd aanstaat. Dat kan een server of Raspberry Pi zijn, maar óók je NAS, zoals we hieronder toelichten. Hierna komt de tunnel automatisch online.

Maak een tunnel via de website van Cloudflare.

Tunnel op Synology-NAS

Voor de installatie op een NAS heeft Cloudflare geen instructies, maar de procedure is relatief eenvoudig. Kopieer de opdracht die je ziet bij bijvoorbeeld de Windows-installatie en plak deze in een editor. Je ziet hierin een lange string van 184 tekens die meest begint met eyJh…. Dat is de benodigde token. Om Cloudflared op een Synology-NAS te installeren open je Package Center. Ga naar Gemeenschap en kies Cloudflare Tunnel. Klik op Installeren. Nu wordt om de token gevraagd. Je hoeft geen geavanceerde opties te kiezen. Na het voltooien van de installatie is je tunnel klaar voor gebruik.

Vul de token in bij de installatie van de software op je Synology-NAS.

Tunnel bij QNAP

QNAP biedt geen softwarepakket, maar je kunt Cloudflare wel vrij eenvoudig via Docker configureren en starten. Het is het makkelijkst om met Docker Compose te werken. Installeer indien nodig Container Station en open het programma. Ga dan naar Toepassingen en klik op Maken. Bij Naam van de toepassing vul je een herkenbare naam in, zoals cloudflared. Bij YAML-code vul je de onderstaande code in. Achter TUNNEL_TOKEN vul je uiteraard jouw token in. Klik dan op Maken om de tunnel te maken. Dit is de benodigde code:

version: "3"

services:

  cloudflared:

    image: cloudflare/cloudflared:latest

    container_name: cloudflared

    restart: unless-stopped

    network_mode: "host"

    command: tunnel run

    environment:

      - TUNNEL_TOKEN=eyJh...

Bij QNAP kun je Cloudflared het beste via Docker installeren.

Toepassing toevoegen

Je kunt nu elke toepassing via de tunnel beschikbaar maken met een uniek subdomein. Om zo’n zogeheten route aan te maken, ga je binnen Zero Trust naar Networks / Tunnels. Bij Status geeft het systeem als het goed is aan dat de tunnel gezond is. Open het menu (via de drie puntjes) en kies Configure. Ga dan naar het tabblad Published application routes. We nemen de webinterface van een NAS die lokaal bereikbaar is op https://10.0.10.200:5001. Bij Subdomain vul je bijvoorbeeld nas in. Bij Domain kies je een domein. Bij Type kiezen we HTTPS en bij URL vullen we 10.0.10.200:5001 in. Bij de optie HTTPS moet je oppassen. De NAS heeft in ons geval geen echt certificaat. Daarom is het belangrijk om onder Additional application settings / TLS de optie No TLS Verify aan te vinken. Cloudflare zal dan negeren dat het certificaat niet ondertekend is. Klik op Save. Er zal automatisch een DNS-record worden gemaakt en je kunt vrijwel direct op afstand je NAS benaderen.

We maken een route voor de NAS.

Extra beveiliging bij Cloudflare

Na het openstellen van een toepassing via een subdomein kan in feite iedereen die dat adres kent de toepassing benaderen, zoals de webinterface van je NAS. Of ze ook binnenkomen, hangt af van je beveiliging. Een NAS kun je zelf extra beveiligen, bijvoorbeeld met tweestapsverificatie. Maar je kunt toegang óók beperken via Cloudflare zelf. Je kunt bijvoorbeeld regelen dat alleen jij bij de tunnel mag, via een tijdelijke code die je per e-mail ontvangt, of door te verplichten dat je eerst moet inloggen met een specifiek Google-account.