ID.nl logo
20 X570-moederborden voor AMD Ryzen-processors getest
© Reshift Digital
Zekerheid & gemak

20 X570-moederborden voor AMD Ryzen-processors getest

Met de derde generatie Ryzen-processors heeft AMD met de AMD Ryzen 5 3600 en Ryzen 5 2600 momenteel de interessantste processors op de markt in handen. Om het maximale eruit te halen, heb je een van de nieuwe moederborden met X570-chipset nodig. Wij legden twintig moederborden op de pijnbank en zochten voor jou de beste exemplaren uit.

Voordat we ons verdiepen in de X570-moederborden is het belangrijk stil te staan bij de vraag of je wel een relatief duur X570-moederbord nodig hebt. De verschillen tussen de nieuwe X570- en de oudere X470- en B450-chipsets, waar de nieuwe Ryzen-processors ook compatibel mee zijn, zijn namelijk niet heel groot. De X570-chipset biedt meer snelle usb 3.2 Gen 2-poorten, voorheen usb 3.1, wat vooral handig is voor veel snelle externe opslag. Tevens is het de eerste chipset die pci-express 4.0 ondersteunt, al zijn er vooralsnog weinig pci-e 4.0-devices, met uitzondering van nog snellere ssd’s.

Deze relatief prijzige AMD X570-moederborden zijn dus vooral interessant voor een mid- of high-end systeem, of als je overweegt de komende jaren een high-end videokaart toe te voegen. Voor eenvoudigere wensen zijn B450- en X470-borden een prima keuze.

Er resteren nog vier grote fabrikanten die moederborden maken

-

Waar moet je écht op letten?

Er resteren nog vier grote fabrikanten als het op moederborden aankomt: ASRock, ASUS, Gigabyte en MSI. Zij kopen de X570-chipset van AMD en bouwen daar elk hun eigen product omheen, met verschillende specificaties en prijspunten. Zaken als het bios, de software en de stroomvoorziening variëren sterk per merk. Daarom bespreken we eerst de inherente voor- en nadelen van elke fabrikant, alvorens we de echte uitschieters uitlichten.

Het is vooral zaak om je eigen subjectieve wensen in kaart te brengen. Hoeveel m.2-ssd’s of sata-schijven ga je gebruiken, hoeveel ventilatoren of rgb-accessoires wil je aansluiten, hoeveel rgb-headers heb je nodig, welke (usb-)aansluitingen heeft je behuizing, hoeveel usb-poorten wil je achterop en wat zijn je eisen op gebied van wifi of sneller netwerken? We waarderen moederborden die veel bieden voor hun prijs, maar leg jouw eigen eisen goed naast onze tabel voordat je de knoop doorhakt.

Zo testen we

Onze testconfiguratie bestaat uit een AMD Ryzen 7 3700X, G.Skill Trident Z Royal 3600 MHz 16 GB (2x 8 GB), Seasonic Prime Titanium 850W-voeding en Samsung 970 Evo Plus-ssd. We testen moederborden door alle instellingen voor de cpu en het geheugen gelijk te trekken, zo voorkomen we dat ‘handige trucjes’ (c.q. valsspelen) op een moederbord de processor voorbij zijn officiële specificaties pushen. Prestaties tussen moederborden verschillen soms enkele procenten per sample van hetzelfde bord. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat kleine verschillen in de resultaten in de tabel (1-3 procent) leiden tot daadwerkelijk significant andere resultaten bij de eindgebruiker. Testresultaten dienen dan ook primair om structurele problemen te ontdekken.

ASUS

Vooral wat bios en bijbehorende software betreft, heeft ASUS een duidelijke voorsprong op de concurrentie. En omdat de prestatieverschillen tussen de twintig geteste moederborden bij gelijke instellingen verwaarloosbaar zijn, levert een dergelijke voorsprong in de praktijk een groot voordeel op.

De keerzijde is dat ASUS zich van dat voordeel bewust lijkt en moederborden die functioneel verder gelijkwaardig zijn voor een hogere prijs verkoopt. Vooral aan de onderkant van de markt is dat merkbaar, want zowel de Prime X570-P (199 euro, niet getest) als de Prime X570-PRO (279 euro) biedt in vergelijking met directe tegenhangers relatief weinig aansluitingen. Zo beschikken deze borden over een beperkt aantal interne usb-headers voor je behuizing.

ASUS is traditioneel wel sterk wat de stroomvoorziening (VRM) betreft en de opbouw van zijn X570-borden is ruim genoeg, vanaf de Prime X570-PRO zelfs zeer goed. Dat maakt de moederborden ook geschikt voor AMD’s 16-core Ryzen 9 3950X, die later dit jaar verschijnt. Hierdoor bieden alle ASUS-borden objectief gezien een goede ervaring, zolang de geboden mogelijkheden maar aan je eisen voldoen. Ook de uitstraling geeft deze moederborden iets extra’s.

ASUS komt pas echt op dreef in het luxere segment, waar de fabrikant enkele complexere features heeft toegevoegd. Overklokkers, tweakers en liefhebbers van aangepaste waterkoeling zoeken het beste moederbord voor hun doeleinden en de prijs is dan secundair. De ROG Crosshair VIII Hero (429 euro) heeft veel fan-headers, speciale headers voor je waterkoeling, extra knoppen voor (extreem) overklokken, een uitstekende stroomvoorziening om elke cpu tot het uiterste te pushen en dat ondersteund door het meest uitgebreide bios op de markt. Zolang de prijs geen bezwaar vormt, is dit hét X570-bord voor liefhebbers. Wil je waterkoeling gebruiken en twijfel je over de nog duurdere ROG Crosshair VIII Formula (599 euro)? De toevoeging van een EK-waterblok op dezelfde basis als de Hero klinkt leuk, maar biedt te weinig objectieve meerwaarde om de 170 euro hogere prijs te verantwoorden.

De ROG Strix X570-E (335 euro) is eventueel interessant als voordeligste moederbord met snelle 2,5 Gbit/s netwerkverbinding.

©PXimport

Gigabyte

Gigabyte heeft misschien wel het sterkste X570-aanbod. Zijn instapper, de X570 Gaming X (189 euro), laten we gezien de duidelijke besparingen liever links liggen, maar vanaf de X570 Aorus Elite (209 euro) zien we stuk voor stuk degelijke, aantrekkelijke borden met een betrouwbare stroomvoorziening en een collectie aansluitingen die op praktisch elk prijspunt ruimer is dan bij de concurrentie. Als je moederbord combinaties van rgb-verlichte componenten moet aansturen, verdient ASUS de voorkeur. Maar zodra dat geen overweging is, voert Gigabyte op elk prijspunt de boventoon.

De X570 Aorus Elite is zelfs zo compleet dat we voor de meeste gebruikers geen reden zien om meer uit te geven. Je krijgt een degelijke stroomvoorziening, een 10 Gbit/s netwerkverbinding, ruim voldoende rgb- en argb-headers, tien usb-poorten achterop en genoeg interne headers voor behuizingen met vier usb-poorten voorop of zelfs usb-c, iets wat geen enkele concurrent op dit prijspunt doet.

Overklokkers kunnen de iets duurdere X570 Aorus Pro (269 euro) overwegen voor de probleemdiagnosefuncties, extra fan-headers en de wat betere stroomvoorziening, en de X570 Aorus Ultra (319 euro) is een van de meer betaalbare opties met drie m.2-sloten.

De X570 Aorus Master (389 euro) in het high-end segment is van een heel andere orde: deze heeft een van de beste VRM’s op de markt, 2,5 Gbit/s netwerkverbinding, wifi 6 (oftewel 802.11ax) en een derde m.2-slot boven op de reeds goede combinatie van mogelijkheden. Daarmee is dit een sterke concurrent voor de ASUS Hero, MSI Ace en ASRock Phantom Gaming X. Tenminste, als je de beste borden op de markt overweegt.

©PXimport

Objectief bekeken zou je de X570 Aorus Xtreme eigenlijk het beste bord op de markt kunnen noemen. Maar omdat een prijs van 699 euro voor een moederbord lastig te verdedigen is, noemen we het vooral een paradepaardje waarmee Gigabyte laat zien waar het toe in staat is. Indrukwekkend is hij wel, met zijn extreme 16-fase VRM, de overdaad aan aansluitingen en de aanwezigheid van een extra externe controller waar je nog eens acht fans, rgb- of argb-accessoires op aan kunt sluiten. Bovendien functioneert het hele moederbord als heatsink voor alle componenten, waardoor dit het enige bord is zonder actieve ventilator. Staat er een geldboom in je tuin? Zoek dan niet verder.

De Aorus X570 I Pro WiFi (239 euro) is interessant, omdat deze op dit moment het enige mini-itx-moederbord op de markt is. Bovendien is dit model zeer solide en niet exorbitant geprijsd voor een X570-bord. Het enige serieuze bezwaar is het totaal van slechts zes usb-poorten.

©PXimport

Actieve fans?

Met uitzondering van de Gigabyte X570 Aorus Xtreme is bij elk X570-moederbord een ventilator op de chipset gemonteerd om deze te koelen. De geluidsproductie van deze ventilatoren is minimaal, waardoor je je geen zorgen hoeft te maken over geluidsoverlast. Gigabyte en MSI bieden wel de optie om de ventilator stil te zetten totdat hij echt nodig is. In theorie vinden we dat een voordeel, omdat we hierdoor de kans op slijtage op lange termijn lager inschatten.

MSI

MSI heeft het kleinste X570-aanbod, maar dat is geen nadeel. In plaats van elk prijspunt proberen te vullen met een al dan niet interessante optie, richt MSI zich op wat duidelijkere doelgroepen. De doelgroep van het goedkoopste bord in onze test, de MSI X570-A PRO (179 euro), is eenvoudig te raden: wil je zo min mogelijk uitgeven, dan is dit een serieuze optie.

Op de totale kosten van je pc is de besparing ten opzichte van de op alle fronten betere en uitgebreidere X570 Aorus Elite lastig te verdedigen, maar als elk tientje je lief is en de basale mogelijkheden voldoen, is de X570-A Pro wel het overwegen waard. Dat kunnen we helaas niet zeggen van de MSI X570 Gaming Pro Carbon WiFi (279 euro): die is voor dit prijspunt iets te zuinig met aansluitingen. Wifi 6 (oftewel 802.11ax) is weliswaar een leuke extra in dit segment, maar kun je ook los voor zo’n 20 euro toevoegen aan menig goedkoper bord.

MSI’s high-end MEG X570 ACE (389 euro) is objectief gezien wel een uitstekend moederbord. Net als zijn directe concurrentie is hij heel compleet, zeer degelijk, beschikt hij over een uitstekende stroomvoorziening en uiteraard ontbreken ook de nodige visuele toeters en bellen niet. Alleen het aantal usb-poorten achterop vinden we voor dit prijspeil aan de karige kant.

Hoewel MSI ook de bijna 800 euro kostende X570 Godlike aanbiedt, viel ons oog op de forse (eatx) Prestige X570 Creation. Met 499 euro is hij verre van goedkoop, maar daar staan meer usb-poorten tegenover dan je op elk ander X570-bord zult aantreffen. Dankzij een meegeleverde insteekkaart biedt hij bovendien vier m.2-sloten: een record. Ook is dit het voordeligste bord met 10 Gbit/s netwerkverbinding, wat de Prestige X570 Creation een echt high-end workstationbord maakt voor de veeleisende professional die de meerprijs met zijn of haar werk terug weet te verdienen.

©PXimport

ASRock

ASRock staat normaliter bekend om zijn goede prijs-kwaliteitverhouding. Zijn RGB Software, mocht je daar om geven, is een draak vergeleken met die van ASUS. Maar als je gewoon goede hardware zoekt voor een redelijke prijs, dan komt ASRock al jarenlang positief naar voren.

Met veel sterke opties op de markt is het niet eenvoudig om jezelf te onderscheiden. De X570 Extreme4 (189 euro) en de X570 Steel Legend (224 euro) bieden op zich een gebalanceerde set mogelijkheden voor hun prijs, maar kunnen net als alle andere borden onder de 250 euro lastig opboksen tegen de sterke Gigabyte X570 Aorus Elite. Ze moeten het dan vooral hebben van wat extra fan-headers en het feit dat ASRock zijn borden heeft voorbereid op een wifi-uitbreiding. Mocht je dat willen, dan kun je voor circa twee tientjes wifi 6 (oftewel 802.11ax) aan deze borden toevoegen met de Intel AX200-chip. De Steel Legend is ook het voordeligste bord met acht sata-poorten voor de echte datavreter.

De X570 Taichi (325 euro) biedt met fysieke knoppen wel iets unieks op zijn prijspunt: fijn als je frequent met je moederbord werkt zonder behuizing. Dat komt boven op een prima totaalplaatje met onder andere goede VRM’s, wifi 6, drie m.2-sloten en wederom die acht sata-poorten. Toch kun je je afvragen of goedkopere opties niet voldoende zijn. Of misschien wil je juist wat luxers, bijvoorbeeld een bord met een snellere netwerkaansluiting.

Dat is waar de X570 Phantom Gaming X (379 euro) om de hoek komt kijken. Feitelijk is dit hetzelfde moederbord als de Taichi, maar dan met een iets ander likje verf en een 2,5 Gbit/s netwerkpoort. Ook de Phantom Gaming X bestaat uit uitstekende componenten, al blijft de totale lijst met aansluitingen wederom op een paar punten achter bij onder meer de Aorus Master. Dat brengt hem in een lastige positie. Wil je meer sata-poorten, dan heeft ASRock het voordeel. Maar extra opslagmogelijkheden alleen vormen op dit prijspunt een lastig verkoopargument. ASRock lijkt dus deels te leunen op liefhebbers van het merk en deels op zijn designs, die net even afwijken van de concurrentie.

©PXimport

Conclusie

Waar goedkope X470-borden of (Intel) Z390-moederborden soms objectief slecht waren, gaat dat voor geen enkel X570-moederbord op. Zelfs de goedkoopste opties bieden kwalitatief zulke degelijke componenten dat AMD’s aangekondigde 16-core processor probleemloos op deze borden gebruikt kan worden.

Hierdoor is het cruciaal om je eigen eisen op een rij te zetten, afhankelijk van onder meer je doeleinden, behuizing of gewenste opslag. Voldoet de goedkoopste maar eenvoudige MSI X570-A Pro? Dan is die geen bezwaar. Onze redactietip gaat echter uit naar de Gigabyte X570 Aorus Elite. Vanwege de kwaliteit, maar vooral wegens de zeer ruime selectie aan aansluitingen die ruimschoots voldoen voor de meeste doeleinden, van gamen tot creatieve taken.

Bij de high-end borden met snelle netwerkverbinding, wifi 6 en een nog ruimere selectie aansluitingen strijden de Gigabyte X570 Aorus Master, MSI MEG X570 ACE en ASUS ROG Crosshair VIII Hero om de winst. De ASUS pakt de winst voor overklokkers, aangepaste water-loops en hobbyisten, dankzij enkele specifieke voordelen voor die doeleinden. Al is het wederom Gigabyte dat in dat segment de meeste hardware biedt voor een iets betere prijs. Samen zijn het de beste borden van deze generatie.

En dan is er nog een tweede bord dat onze tip verdient, want de MSI Prestige X570 Creation biedt meer usb-poorten en m.2-opslag dan elke concurrent. Gecombineerd met zijn 10 Gbit/s netwerkverbinding is dit onze keuze voor een professioneel workstation waarbij geld geen rol speelt.

©PXimport

▼ Volgende artikel
Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?
Huis

Wanneer is een tv écht te groot voor je woonkamer?

Iedereen droomt weleens van een thuisbioscoop, maar groter is niet altijd beter. Een te groot scherm kan bijvoorbeeld zorgen voor vermoeide ogen of korrelig beeld. Ontdek hoe zaken als kijkafstand, de resolutie en de kijkhoek bepalen of een televisie daadwerkelijk in je woonkamer past.

In de felverlichte showroom van de elektronicawinkel lijkt die enorme 75-inch televisie waanzinnig indrukwekkend, maar eenmaal aan de muur in een doorsnee Nederlandse doorzonwoning kan zo'n gapend zwart vlak de ruimte volledig domineren. Veel consumenten denken onterecht dat een groter scherm automatisch garant staat voor een betere kijkervaring, ongeacht de afmetingen van de kamer. Toch is er een harde technische grens waarbij groot verandert in té groot, met hoofdpijn en onscherp beeld als direct gevolg. In dit artikel leer je precies hoe je die grens bepaalt en de ideale televisie kiest.

De kern van het probleem: resolutie en blikveld

Het probleem van een te grote tv is niet alleen esthetisch, maar vooral fysiologisch en technisch. Het draait allemaal om de verhouding tussen de resolutie (het aantal beeldpunten) en je blikveld. Zelfs bij moderne 4K-televisies zijn de pixels niet oneindig klein. Als je een enorm scherm neemt en daar te dicht op zit, trek je het beeld als het ware uit elkaar. Hierdoor verliest het beeld zijn scherpte en samenhang; je hersenen moeten harder werken om de losse informatie tot één geheel te smeden.

Een veelgehoorde misvatting is dat je simpelweg went aan elk formaat. Hoewel de eerste shock van een groot scherm inderdaad verdwijnt, blijft de fysieke belasting overeind. Als een scherm meer dan 40 graden van je horizontale blikveld inneemt, kun je niet meer het hele plaatje in één oogopslag zien. Je ogen moeten dan constant van links naar rechts scannen om de actie te volgen, vergelijkbaar met het kijken naar een tenniswedstrijd vanaf de eerste rij. Dat zorgt voor vermoeide ogen en kan op den duur zelfs leiden tot misselijkheid, ook wel 'cybersickness' genoemd.

©Gorodenkoff

Wanneer werkt een groot formaat wél goed?

Er zijn specifieke scenario's waarin een wandvullend scherm niet alleen kan, maar zelfs de voorkeur heeft. Dat geldt vooral als je de televisie primair gebruikt voor hoogwaardige content. Denk hierbij aan films op 4K Blu-ray of streamingdiensten die uitzenden in de hoogste bitrate, en uiteraard gaming op moderne consoles. In deze gevallen is de bronkwaliteit zo hoog dat je dichterbij kunt zitten zonder fouten in het beeld te zien.

Daarnaast werkt een groot formaat goed als de kijkafstand het toelaat. In moderne woningen met een open plattegrond of een loft-indeling staat de bank vaak wat verder van de muur. Als je kijkafstand meer dan 3 meter is, valt een 55-inch televisie al snel in het niet en moet je turen om details te zien. Een 65-inch of groter model herstelt in dat geval de balans en zorgt voor die gewenste bioscoopervaring, waarbij het scherm groot genoeg is om je onder te dompelen zonder dat je individuele pixels ziet.

Wanneer werkt dit níet goed?

De nadelen van een te grote tv worden pijnlijk duidelijk bij 'gewoon' tv-kijken. Veel lineaire televisieprogramma's, zoals het journaal, talkshows of sportuitzendingen via de kabel, worden niet in 4K uitgezonden, maar in Full HD of zelfs nog lager. Een enorme tv vergroot dat signaal genadeloos uit. Op een te groot scherm zie je dan plotseling ruis, compressieblokjes en onscherpe randen die op een kleiner scherm onzichtbaar zouden blijven. Het beeld oogt daardoor onrustig en rommelig.

Ook in de fysieke ruimte kan het tegenvallen. Een tv die uit staat is een groot, zwart en reflecterend vlak. In een compacte woonkamer zuigt een te groot scherm alle aandacht naar zich toe, zelfs als hij uitstaat. Zoiets verstoort de balans in je interieur en kan de kamer kleiner laten aanvoelen dan hij eigenlijk is. Daarnaast is de plaatsing van sfeerverlichting vaak lastiger; een gigantisch scherm blokkeert lichtinval of reflecteert lampen op een storende manier.

©RDVector

Als je té dicht op je televisie zit, kun je de kleurenleds van elkaar onderscheiden.

Dealbreakers: hier ligt de grens

Er zijn een paar harde grenzen die aangeven dat je beter een maatje kleiner kunt kiezen. Als je een van de onderstaande punten herkent, is dat een duidelijk signaal.

Je moet je hoofd fysiek draaien

Als je tijdens het kijken naar een film ondertiteling leest en daardoor de actie boven in het scherm mist, of als je je nek daadwerkelijk moet draaien om van de linker- naar de rechterhoek te kijken, is het scherm te groot voor je kijkafstand. Je verliest het overzicht.

De tv past fysiek niet op het meubel

Dit klinkt misschien logisch, maar wordt vaak genegeerd. Als de pootjes van de tv net aan op de rand van je tv-meubel balanceren, of als het scherm breder is dan het meubel zelf, oogt dat niet alleen goedkoop, het is ook onveilig. Een scherm dat buiten de kaders van het meubel steekt, is enorm kwetsbaar voor (om)stoten.

Je ziet pixels of rastervorming

Ga op je favoriete plek op de bank zitten. Zie je bij normaal HD-beeld een soort hordeur-effect of individuele blokjes? Dan zit je te dichtbij voor dat specifieke formaat. Dat is geen kwestie van wennen; het is een mismatch tussen resolutie, inch-maat en kijkafstand.

Wat betekent dit voor jouw situatie?

Om te bepalen of een tv past, moet je de rolmaat erbij pakken en even kritisch naar je eigen kijkgedrag kijken. De algemene vuistregel voor 4K-televisies is: meet de afstand van je ogen tot het scherm in centimeters en deel dat door 1,2 tot 1,5. De uitkomst is de ideale schermdiagonaal.

Zit je bijvoorbeeld op 2,5 meter (250 cm) van je scherm? Dan kom je uit op een schermdiagonaal tussen de 166 cm (65 inch) en 208 cm (82 inch). Maar let op: dat geldt alleen voor pure 4K-content. Kijk je veel normale televisie (praatprogramma's, nieuws)? Hanteer dan factor 2. Bij 250 cm afstand kijkt een scherm van 125 cm diagonaal (ongeveer 50 inch) dan vaak prettiger en rustiger. Ben je een fanatieke gamer of filmfanaat? Dan kun je de grens opzoeken. Ben je een casual kijker? Kies dan veilig voor een formaatje kleiner.

©BS | ID.nl

In het kort

Een televisie is te groot wanneer het beeld onscherp oogt of wanneer je fysiek je hoofd moet draaien om alles te kunnen volgen. Hoewel een groot scherm indrukwekkend lijkt, vergroot het bij standaard televisie-uitzendingen ook alle beeldfouten uit. De ideale grootte is een balans tussen kijkafstand en de kwaliteit van wat je kijkt. Meet daarom altijd de afstand tussen bank en muur, en wees realistisch over je kijkgedrag. Zo voorkom je hoofdpijn en blijft tv-kijken ontspannend.

▼ Volgende artikel
Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt
Huis

Microsofts Xbox Developer Direct heeft de code gekraakt

Het is ergens in 2025 als Fable voor het eerst, een soort van, getoond wordt. Beelden volgen elkaar in rap tempo op. We zien de dame die de hoofdrol lijkt te spelen, geen HUD en vooral heel veel mooie filmpjes. Daarna begint het wild speculeren, de klachten over het hoofdpersonage, de vraagtekens over de gameplay. Gelukkig was daar gister de Xbox Developer Direct, waar Microsoft eens te meer bewees de code gekraakt te hebben.

Vóór de pandemie, toen de Electronic Entertainment Expo (E3) nog bestond en online showcases, Directs en State of Plays nog niet echt een ding waren, wisten gameboeren hun spellen prima te verkopen. Ontwikkelaars verschenen op het podium tijdens liveshows, praatten over hun games, speelden live een demo (wat net zo vaak goed als faliekant misging) en dergelijke presentaties werden afgewisseld met teasers, hypetrailers en (nog verder terug) zelfs weleens grafieken en verkoopcijfers. Hoe anders is de wereld anno nu.

Watch on YouTube

Trailers vol trailers

Klaar zitten voor The Game Awards, een gemiddelde Direct, Showcase of Summer Game Fest is leuk, maar niet hetzelfde als ‘toen’. Want de formule is inmiddels bekend. Een half uur, een uurtje, een paar uur lang wordt er de ene na de andere trailer op je hersenen afgevuurd. Wat is ‘reclame’ en wat niet? Geen idee. Standaard zijn de animegames die elkaar zo rap opvolgen dat de gemiddelde kijker niet eens meer weet waar de ene game begint en de ander ophoudt. Meestal zit er een klapper aan het begin, waarna het grote wachten op de klapper aan het einde begint.

Vraag iemand een week later wat ie gezien heeft, en meer dan de helft van de getoonde games is waarschijnlijk uit het geheugen verdwenen.  En al die flarden van beelden zonder fatsoenlijke uitleg leiden vaker wel dan niet tot hetzelfde als die ene soort van trailer van Fable: speculaties, wild geroep en vraagtekens. Het komt de online discussie rondom games niet ten goede.

©Playground Games

Hoe anders was de inmiddels traditionele Xbox Developer Direct. Langer dan een uur, voor maar vier games. Die games kregen zodoende alle tijd, net als de ontwikkelaars. Gameplaybeelden zijn niet aan te slepen, verscheidene modi worden uitgebreid besproken en zelfs de kleinste details krijgen meer dan genoeg ademruimte. Zo horen we tijdens de Forza Horizon 6-presentatie dat het nummer van je eigen hangar (78) gekozen is omdat de game zich afspeelt in Japan, en die cijfers daar een positieve lading hebben. Fijn om te horen hoe scherp het oog voor detail van een ontwikkelaar is. Dat zegt iets over het project. En het is ook iets wat je never nooit in een hypetrailer van anderhalve minuut langs had zien komen.

Trailers vol trailers

En dus zit ik gisteravond te genieten. Niet eens per se van de games, want ze vallen net niet in mijn straatje. Forza Horizon 6 vind ik héél indrukwekkend en de game zal ongetwijfeld miljoenen spelers perfect bedienen, maar ik ben niet zo van het racen. Game Freak - de makers van Pokémon die eindelijk hun vleugels uitslaan met graphics uit dit decennium - komen met Beast of Reincarnation. Het ziet er oké uit. Double Fine vindt in mij ook geen fan en een multiplayer-pottenbakgame (Kiln) is niet iets wat hoog op mijn lijstje stond. Zelfs afsluiter Fable wist me met z’n levenssimulaties ook niet te overtuigen. Maar, nogmaals, wat heb ik genoten. Van ontwikkelaars die ruim de tijd kregen. Van de games, die van alle kanten belicht werden. Van de antwoorden die we kregen.

©Playground Games

Want wat ik nou precies van die games vond, is niet eens zo heel belangrijk. Veel belangrijker is dat iedereen dit keer in ieder geval een uitgebreid beeld kreeg van wat deze games nu precies worden. Een Xbox Developer Direct creëert geen valse hype. Van die vier getoonde games, weten we nu eigenlijk alles wat we redelijkerwijs moeten weten. Zoals bijvoorbeeld dat Fable een character creation-modus heeft, om maar iets te noemen. En plots zie je de discussies rondom de games gaan om… de inhoud. En niet op wilde speculaties rondom hoofdpersonages die helemaal niet vast blijken te staan. Love it.