ID.nl logo
Zekerheid & gemak

Thin clients. Hou het overzichtelijk met centraal softwarebeheer.

Een pc in een zakelijke omgeving is geen gemakkelijk apparaat. Want hoe meer pc's, hoe ingewikkelder het wordt om alle apparaten up-to-date te houden met softwarereleases, patches, anti-virusmiddelen en beveiliging. De oplossing: thin clients, ofwel pc's zonder processor, geheugen en harde schijf, en alle software op één centrale server.

Thuis doe je het even tussendoor: even een nieuwe update op de pc installeren of een laatste patch downloaden. Heb je echter het beheer over honderd of duizend pc's, zoals al snel gebeurt in een groot bedrijf, dan wordt het een heel ander verhaal. Dan is het een hele klus alle pc's up-to-date te houden met de juiste software, patches, beveiliging en anti-virusmiddelen. Grote organisaties hebben dan ook baat bij centrale aanpak: in plaats van allemaal zelfstandige pc's kun je alle software beter installeren op één centrale plek waar dan iedereen gebruik van kan maken. Zo kost het uitdelen van softwarereleases veel minder tijd en is het beheer eenvoudiger in de hand te houden. Je hoeft tenslotte maar één server te configureren om vele gebruikers te bedienen. Deze aanpak noemen we ook wel server based computing of thin-client computing. Clients & server De klassieke aanpak van server based of thin-client computing maakt gebruik van terminals. Zo'n terminal is niets meer dan een beeldbuis waarbij het beeld wordt opgebouwd door een datastroom van karakters uit een Unix-machine. Alles wat je dus op het toetsenbord typt gaat dus niet naar de beeldbuis, maar naar dezelfde Unix-machine. In zo'n terminal zit nauwelijks logica en geheugen, er is geen krachtige processor en geen harde schijf. Het is de applicatie op de krachtige Unix-server die ervoor zorgt dat alles wat je op het toetsenbord doet in beeld komt. En dat voor eventueel duizenden gebruikers tegelijkertijd. Nadeel is wel dat een terminal met karakters niet aansluit op wat gebruikers gewend zijn, namelijk de vrijheid van de rijke grafische Windows werkomgeving, in een weelde van grafische applicaties. Gelukkig zijn er tegenwoordig een aantal populaire oplossingen waarmee je het gebruik van Windows-applicaties kunt centraliseren. Deze bieden het beste van beide werelden: een rijke grafische interface voor de gebruiker (de client) en het beheer en onderhoud op één centrale plek (server). Via het bedrijfsnetwerk – of eventueel het internet – dient als transport om de clients aan een server te koppelen. De belasting op de client is relatief licht: een processor van een paar honderd megahertz is genoeg. Ook is niet veel geheugen nodig: 64 MB is vaak voldoende. Er is immers alleen beeldopbouw; alle applicaties draaien op de server. Tot slot doet ook de lokale opslag (bijvoorbeeld een diskettestation of harde schijf) niet ter zake: ook alle data worden op de server opgeslagen. Hardware of software? Een client kan hardware zijn, maar ook software. Kies je voor hardware, dan krijg je te maken met een klein apparaat waarop je het toetsenbord, muis, beeldscherm en netwerk op aansluit. De Wyse uit deze test is hier een voorbeeld van. Kies je voor een software-client dan krijg je te maken met een pc met Linux of Windows of een Unix-werkstation. Hierop draait dan relatief eenvoudige cliëntsoftware, als losstaande applicatie of browser-plugin. In tegenstelling tot de client, worden er nogal wat eisen aan de server gesteld. Deze neemt namelijk meerdere grafische schermen, alle opslag en alle rekenkracht voor elke gebruiker op zich. Dit vraagt veel van de serverhardware, meer dan hetzelfde aantal gebruikers aan een Unix-terminal. Vanaf een tiental Windows-gebruikers heb je al direct serverhardware nodig met twee of vier processoren, een paar gigabyte hoofdgeheugen en forse schijfopslag. Tot grofweg vijftig actieve gebruikers loopt hardware met vier snelle processoren nog goed. Bij meer gebruikers zijn meerdere servers in het netwerk nodig en technieken als loadbalancing. Het opzetten beheren van zo'n configuratie is een specialisme. De belangrijkste producten voor kleine of grote configuraties zijn Microsoft Windows Server 2003 met Terminal Services, Citrix MetaFrame Server en Softricity SoftGrid die we hier bespreken. In tegenstelling tot Unix zijn Windows-gebaseerde servers gevoeliger voor vastlopers en incompatibiliteit, immers, de software is niet specifiek ontwikkeld voor terminalsessies en dat kan onverwachte problemen geven. Gelukkig gaat het de laatste jaren snel beter, wordt Terminal Services robuuster en worden belangrijke Windows-applicaties als Office ook onder Terminal Services getest voor dat ze als product de doos in gaan. Licenties Zoals gezegd bedient bij thin client (of server based) computing één enkele server een tiental of wel honderden gebruikers. Dat spaart kosten. Dit is dan wel buiten de onevenredig hoge licentiekosten gerekend. Want stel, u bent geïnteresseerd in bijvoorbeeld Citrix. Dan bent u er met het serverproduct en bijbehorende client-licenties nog niet. U hebt ook een Windows-serverlicentie nodig en voor elke gebruiker een terminal server client access license (ofwel terminal server cal) van Microsoft. Dit is op zich nog wel te doen. Ingewikkelder wordt het als u ook Office gebruikt. Dan moet u namelijk van Microsoft ook een Office-licentie kopen voor elke gebruiker die contact zou kúnnen opnemen met de terminal service. En gebruikt u daarnaast vanaf deze server sql of Exchange, dan dient u voor het gebruik van deze sql-toepassingen en Outlook ook voor elke (mogelijke!) gebruiker een client access license te kopen. Het is dus oppassen geblazen met licentieregels. Praktijk en papierwinkel kunnen plots haaks op elkaar komen te staan. Stel dat u een terminal service als voorziening in het netwerk zet om deze maar af en toe te gebruiken (bijvoorbeeld wanneer een werknemer thuis zou willen werken) of dat u een server gebruikt voor een applicatie die eigenlijk maar weinig wordt gebruikt. Technisch gezien wordt zo'n server maar een paar keer per dag of per week bezocht. Toch bent u verplicht voor alle applicaties licenties te kopen en cal's voor alle duizend werknemers. Om niet op extreem hoge bedragen uit te komen kunt u dus maar beter het inloggen op een dergelijke server beperken tot een kleine groep werknemers. Een andere mogelijkheid is om voor Exchange en sql een zogeheten (dure) processor-licentie te kopen. Deze telt niet het aantal gebruikers, maar het aantal processors in de server, aangevuld met zogenoemde terminal server internet connectors voor de applicaties. WinTerm 3125SE Deze hardware-client van Wyse kan zo op het netwerk worden aangesloten en begrijpt zowel rdp (remote desktop protocol) als Citrix' ica (independent client architecture). De hier bekeken Wyse WinTerm 3125SE wordt geleverd met toetsenbord, muis en optioneel beeldscherm. De resolutie van het kastje is beperkt tot 1024x768 beeldpunten, er zijn aansluitingen voor serieel en parallel. De 3125SE heeft een 100 Mbit-aansluiting en kan eventueel ook draadloos ingezet worden. Voor de software hebt u de keuze uit Embedded XP of het bij Wyse populaire CE, deze laatste is in flash opgeslagen. Voordeel van de Wyse-client is dat het apparaat weinig energie gebruikt, en dat hij geen ventilator heeft en dus lekker stil is. De hardware is praktisch onderhoudsvrij. Mogelijke problemen met updates, rechten, configuratie en anti-virus spelen zoals gezegd alleen op de server, niet op deze relatief eenvoudige terminal. Microsoft Windows Server 2003 Terminal Services De meest eenvoudige oplossing om met server based computing aan de slag te gaan is Windows Server 2003 en het meegeleverde Terminal Services. De installatie is eenvoudig. Ga in het Configuratiescherm naar Software toevoegen/verwijderen en kies Windows onderdelen. Vink hier Terminal Services aan. Na een wizard van vier stappen en een herstart is alles klaar. De naconfiguratie is niet veel meer is dan het aanmaken van gebruikers en deze lid te maken van de 'remote desktop access'-groep. Nu is de machine klaar voor gebruik. Windows Server 2003 kent overigens verschillende smaken. De standaard-editie is voldoende maar voor grote installaties heeft de Enterprise-editie de voorkeur. Een van de extra componenten hierin is Microsoft Windows System Resource Manager (wsrm) dat handig is voor het beheren van grote terminal server installaties. Wsrm kan voor individuele gebruikers (of op groepsniveau) zaken als processorgebruik wat eerlijker verdelen. Een veeleisende taak of vastloper vertraagt het werk van anderen dan minder. Citrix MetaFrameXP Server for Windows Citrix is een oude technologie partner van Microsoft én geestelijk vader van Terminal Services. MetaFrameXP Server for Windows gebruikt dan ook een Microsoft 2000- of 2003-server met Terminal Services als basis. Hier overheen installeert Citrix haar eigen diensten. Het product is zo populair omdat het, zowel aan de server- als de client-kant, verder gaat dan Terminal Services van Microsoft. Zo is het aantal clients uitgebreider, zijn de specificaties beter en de beheertools fijnmaziger. Een belangrijk element bij Citrix is het ica-protocol, dat samen met de ica-client zorgt voor een efficiëntere communicatie tussen client en server. Zelfs over een eenvoudige modemverbinding is het nog goed werken. De nieuwste versie van MetaFrame geeft op clients een betere ondersteuning van flash in de webbrowser, ondersteunt het gebruik van een microfoon, gaat efficiënter met foto's om en kan goed tegen korte uitval, zodat het product ook storingsvrij werkt bij een matige draadloze verbinding. Aan de server-kant blinkt Citrix uit in het opzetten van zogeheten farms die (bij meerdere servers) de gebruikers en de werklast onderling verdelen. Ook brengt zo'n farm redundantie zodat gebruikers niet meer afhankelijk zijn van de gezondheid van een enkele server. Het serverdeel gebruikt minder dan 250 MB op de harde schijf. Citrix is een stabiel en goedverzorgd product, maar vereist al snel een gespecialiseerde beheerder. Softricity SoftGrid 3.0 Softricity pakt de zaken anders aan: alle software wordt vanaf de server in speciale pakketten over het netwerk uitgedeeld, en in de beschermde omgeving van Softricity (op de pc van de gebruiker) uitgevoerd. Die speciale pakketten zijn reguliere applicaties die voor SoftGrid zijn geprepareerd (en door de beheerder zijn voorgeïnstalleerd). Dankzij de beschermde omgeving worden belangrijke componenten tegen aantasting beschermd, bijvoorbeeld het geheugen of het Windows-register. De software ziet gewoon de pc, maar in werkelijkheid zit Softricity er tussen om wijzigingen af te vangen die de software doorvoert in de pc. Wijzigingen blijven geldig zolang de applicatie draait. Sluit je de applicatie af, dan gaan wijzigingen verloren en blijft een onaangetaste pc achter, alsof de software niet echt op de pc heeft gedraaid. Dit proces wordt virtualization genoemd. Softricity gebruikt op de pc een soort cache om een volgende keer de applicatie sneller voor handen te hebben. Die cache wordt ook gebruikt om software aan laptops mee te geven zodat deze los van het netwerk toch de applicatie kunnen gebruiken. SoftGrids geïsoleerde programma-uitvoer heeft als voordeel dat programma's minder snel tegen compatibiliteitsproblemen aanlopen, dan bij Terminal Services en dus ook bij Citrix. Zelfs zeer complexe applicaties als AutoCAD, programma's afhankelijk van een oude databasedriver en relatief slecht geschreven programma's werken bij Softricity prima. Softricity draait op Windows 2000 of Windows XP. Voor Windows 98 of andere besturingsystemen is bemiddeling nodig van Terminal Services of Citrix. Verder maakt SoftGrid gebruik van een Windows 2000 of 2003 Server, die gedeeld mag worden met Terminal Services en Citrix. De software is klein, zo'n 150 MB, en installeert snel. Bij installatie is de aanwezigheid van active directory vereist. Op de client wordt ook lichte software van een paar megabyte gebruikt. Het grootst is dus de cache van minimaal 150 MB. Om applicaties voor SoftGrid aan te maken wordt een zogenoemde sequencer gebruikt, een hulpapplicatie die ervaring vereist. SoftGrid kan op een server werken, of net als Citrix uitgebouwd worden tot een farm zodat een enkele defecte server de werk van gebruikers niet verstoort. SoftGrid doet wat minder gedegen aan en is voor de beheerder soms onnodig lastig in installatie en gebruik. Conclusie Voor een verstokte pc-liefhebber is het even wennen dat de hardware op je bureau niets of weinig doet. Terminal Services – al dan niet aangevuld met Citrix en SoftGrid – geeft de gebruiker dan misschien iets minder vrijheid in de bediening, het geeft wel een enorme bewegingsvrijheid. Op verschillende werkplekken, op verschillende apparaten en over dunne verbindingen heb je altijd toegang je krachtige 'desktop', met daarop alle gegevens, applicaties, grote databestanden en natuurlijk snelle toegang tot internet. Bovendien biedt de thin client-technologie een veilige werkomgeving voor onbeheerde pc-thuiswerkers met als voordeel een goede scheiding met privé-bestanden. Softricity scoort hoog in de compatibiliteit. Terminal Services is laagdrempelig. Citrix werkt goed bij hogere eisen in voorzieningen, beheer en clientkeuze. Softricity kan dé oplossing zijn bij kritische applicaties, maar vereist weer meer ervaring. Licenties zijn een belangrijk aandachtspunt om niet onbedoeld op gevaarlijk hoge kosten te komen. Remote desktop Iedereen die XP heeft draaien op zijn pc kan eenvoudig uitproberen hoe Windows werkt als terminal. XP bevat namelijk remote desktop (rd), een standaard onderdeel van Windows Professional waarmee u – vanaf uw eigen pc – heel eenvoudig toegang kunt krijgen tot de programma's en bestanden van een andere Windows-pc. Hebt u Windows XP Home dan kunt u alleen anderen toegang verlenen tot uw pc. Maakt u eenmaal kennis met de voordelen in mobiliteit, dan is Windows op afstand gebruiken een verslavende voorziening! U vindt remote desktop onder Start, Communicatie, Verbinding met een extern bureaublad. Start dit programma op een andere computer in het netwerk op en tik het ip-nummer van je eigen pc in. Zet wel eerst op uw eigen pc remote desktop als voorziening aan: ga hiervoor naar Eigenschappen van de computer, kies Verbinding van buitenaf (laatste tabblad) en vink de optie Extern bureaublad aan. Is er eenmaal contact met de eigen computer, dan krijg je dan een goede indruk hoe Windows zich in een terminal-sessie gedraagt over het netwerk. Wilt u deze voorziening over het internet uitproberen, dan is het belangrijk dat poort 3389 (in de firewall in de internetrouter) naar het ip-nummer van de eigen pc wijst, zodat deze op afstand bereikbaar wordt. Vergeet niet het geheel met een wachtwoord te beveiligen! Verder vindt u op www.microsoft.com/windowsxp/remotedesktop/faq.asp nog meer informatie.

▼ Volgende artikel
Je NAS veilig bereiken via een VPN-server, Tailscale of Cloudflare-tunnel
© ER | ID.nl
Huis

Je NAS veilig bereiken via een VPN-server, Tailscale of Cloudflare-tunnel

Wil je een NAS op afstand gebruiken, dan doe je dat liefst natuurlijk veilig. Bijvoorbeeld door een VPN-server op te zetten, of een tunnel met extra toegangscontrole. Hiervoor zijn diensten als Tailscale en Cloudflare heel geschikt. In deze masterclass nemen we de beste opties met je door. We leggen uit wat de voor- en nadelen zijn en hoe je ze kunt gebruiken in combinatie met een NAS.

Een NAS is breed inzetbaar en bij veel huishoudens de spil in het netwerk. Je kunt niet alleen je documenten centraal bewaren, maar ook bijvoorbeeld media streamen naar je tv, foto’s bekijken op je tablet en talloze extra toepassingen installeren. Heb je (een deel van) deze toepassingen ook af en toe op afstand nodig? Het openzetten van een poortje in de router of het gebruik van een reverse proxy kan daarvoor een prima optie zijn. Maar publieke toegang is niet altijd nodig. Er zijn betere opties als je vooral voor jezelf goed beveiligde externe toegang tot je NAS nodig hebt. Een eenvoudige optie is een cloudservice van de fabrikant, zoals Synology QuickConnect. Betere en veiligere opties zijn een VPN-server met een protocol als OpenVPN of WireGuard, Tailscale (dat op de achtergrond met WireGuard werkt) of een Cloudflare-tunnel. In deze masterclass leggen we uit hoe je ze gebruikt. Wat je kiest, hangt ook af van je doel. Bij elke optie behandelen we de eventuele beperkingen. Voordat je begint, is het ook verstandig de beveiliging van je NAS nog even door te lichten (zie kader).

Optimale beveiliging voor je NAS

Bij het openstellen van je NAS is een goede beveiliging extra belangrijk. Ongeoorloofde toegang tot je NAS zul je altijd willen voorkomen. Gebruik altijd sterke wachtwoorden voor je gebruikersaccounts. Deactiveer bovendien de algemene accounts zoals admin en guest. Zet tweestapsverificatie aan. Hierbij wordt na het inloggen om een extra toegangscode gevraagd die je kunt genereren met een app op je smartphone. Op vertrouwde apparaten hoef je dat maar één keer te doen. Bij Synology vind je deze opties in je configuratiescherm, onder Beveiliging / Account. Je kunt kiezen voor welke gebruikers dit moet worden ingeschakeld. Bij QNAP ga je hiervoor in je configuratiescherm naar Systeem / Beveiliging. Open dan het tabblad Verificatie in 2 stappen. Maak ook gebruik van de ingebouwde firewall van je NAS, waarin je toegangsregels kunt instellen! In deze masterclass geven we daar tips voor. Zorg ten slotte dat je een goede back-upstrategie hebt voor de bestanden op je NAS.

Het is verstandig om tweestapsverificatie aan te zetten op je NAS.

Wat is een cloudservice?

Via een cloudservice kun je toegang tot een NAS vereenvoudigen door een soort tunnel op te zetten. Bij Synology heet dit QuickConnect, QNAP noemt het myQNAPcloud link. Hierbij wordt vanaf de NAS een uitgaande verbinding opgezet met een server, waardoor het firewalls omzeilt (ook die in je NAS!). De NAS geef je een herkenbare naam, ook wel QuickConnect ID of QNAP ID genoemd, die je ook gebruikt om te verbinden. Hierbij wordt eerst geprobeerd rechtstreeks verbinding te maken, wat ook het meest efficiënt is. Als dat mislukt, wordt de verbinding automatisch omgeleid via een relayserver, die als tussenpersoon het verkeer doorstuurt. De snelheid kan dan minder hoog zijn. We noemen hieronder alleen de dienst van Synology, omdat het een betere bescherming biedt en een betere reputatie heeft dan myQNAPcloud link. Zorg wel altijd zelf voor een goede basisbeveiliging. Overweeg veiligere methoden zoals een VPN of Tailscale. Het is veiliger en je bent niet afhankelijk van andere partijen (zoals een relayserver).

Diensten als myQNAPcloud link creëren een soort tunnel naar je NAS.

Synology QuickConnect

Bij Synology QuickConnect koppel je eerst je NAS aan een Synology-account. Daarna kun je een QuickConnect ID kiezen. Je NAS is daarna bereikbaar vanuit de Synology-apps of een browser via het adres https://quickconnect.to/ met daarachter de QuickConnect ID. Dit werkt ook bij een dynamisch ip-adres, dus je hoeft niet apart een Dynamic DNS-functie (DDNS) te gebruiken. Om QuickConnect te gebruiken open je Configuratiescherm. Ga dan naar Externe toegang. Zet een vinkje bij QuickConnect inschakelen. Hierna moet je je aanmelden met je Synology-account of een nieuw account maken. Vervolgens kies je een QuickConnect ID. Via de instellingen kun je nog kiezen of de relayserver mag worden gebruikt en welke toepassingen via QuickConnect toegankelijk zijn.

Via de instellingen kies je welke toepassingen toegankelijk moeten zijn.

Wat is VPN?

Door een VPN-server te installeren, heb je een ideale voorziening om op afstand je netwerk te bereiken en alle apparaten op dat netwerk, zoals je NAS, netwerkprinters en camera’s. Je installeert de VPN-server op één systeem, zoals een router, server, Raspberry Pi of je NAS. Bij Synology kun je bijvoorbeeld standaard met OpenVPN werken en QNAP ondersteunt het snellere WireGuard. We laten zien hoe je deze opties gebruikt. Na inloggen heb je volledige toegang tot je netwerk en alle toepassingen in het netwerk, alsof je rechtstreeks op het netwerk zit. Voor toegang tot bestanden op je NAS werken daarom alle protocollen als smb, nfs en WebDAV en toepassingen als Synology Drive en QNAP File Station. Je hoeft geen poorten in je router open te zetten, behalve een enkele poort naar de VPN-server.

Bij QNAP kun je standaard werken met WireGuard.

OpenVPN op Synology

Om je Synology-NAS als VPN-server in te zetten, kun je de toepassing VPN Server installeren via Package Center. Gebruik je een firewall, controleer dan of de benodigde poorten toegankelijk zijn. Bij de installatie kun je die aanpassing via een venster direct doorvoeren. Afhankelijk van het protocol moet je ook nog één of meerdere poorten doorsturen van je router naar je NAS. De toepassing ondersteunt PPTP, OpenVPN en L2TP/IPSec. Eigenlijk is vooral OpenVPN interessant. Het is veilig en stabiel, maar niet zo snel als WireGuard. Ook geeft het soms wat uitdagingen bij het opzetten van de verbinding.

Synology ondersteunt meerdere protocollen, waaronder OpenVPN.

Activeren OpenVPN

Om OpenVPN te gebruiken open je VPN Server. Ga dan naar OpenVPN. Zet een vinkje bij OpenVPN-server inschakelen. Bij Dynamisch ip-adres zie je het subnet dat OpenVPN gebruikt. De verbonden clients krijgen een ip-adres in dat bereik. Bij Poort en Protocol zie je dat standaard udp-poort 1194 wordt gebruikt. Die poort moet je doorsturen van je router naar je NAS. Controleer of de poort toegankelijk is in de firewall van je NAS. Voor een goede balans tussen snelheid en veiligheid kun je bij Codering bijvoorbeeld AES-128-CBC kiezen en bij Verificatie de optie SHA256. De optie Compressie op de VPN-koppeling inschakelen mag uit, omdat het weinig snelheidswinst geeft. Zet de optie Clients toegang geven de LAN-server aan, zodat je andere apparaten in je thuisnetwerk kunt bereiken. Zet ook de optie Verifieer TLS auth-sleutel aan. Klik op Toepassen om de instellingen te activeren. Je kunt nu clients gaan configureren.

Bij OpenVPN kun je zelf nog enkele instellingen kiezen.

Profiel voor OpenVPN

Ga naar OpenVPN en kies Configuratie exporteren om het configuratiebestand te exporteren als zip-bestand. Hierin vind je een .ovpn-bestand dat je nodig hebt voor toegang. Je hebt ook een gebruikersaccount nodig bij het inloggen. Onder Rechten kun je aanvinken welke gebruikers toegang hebben en via welke protocollen. Maak eventueel een nieuwe gebruiker voor alleen de VPN-verbinding! Open het bestand VPNConfig.ovpn met een teksteditor. Omdat je de VPN-server extern wilt gebruiken, verander je in onderstaande regel YOUR_SERVER_IP naar je ip-adres van je internetverbinding of de hostnaam als je bijvoorbeeld Dynamic DNS gebruikt. Synology ondersteunt ook Dynamic DNS en geeft bijvoorbeeld een naam.synology.me-adres. Je kunt het activeren in je configuratiescherm onder Externe toegang / DDNS. Het gaat om deze regel:

remote YOUR_SERVER_IP 1194

Je ziet ook de onderstaande optie. Haal hier eventueel het commentaarteken weg als je wilt dat ál het verkeer, dus ook het normale internetverkeer, via de VPN-server gaat. Dat geeft minder goede prestaties, maar is wel veiliger als je bijvoorbeeld een openbare wifi-hotspot gebruikt. Dit is de regel waar je het commentaarteken weg kunt halen:

#redirect-gateway def1

Gebruik dit profiel om verbinding te maken vanaf andere apparaten. Zet hierbij de optie aan dat zonder certificaat verbinding mag worden gemaakt.

WireGuard op QNAP

We zullen laten zien hoe je WireGuard op je QNAP-NAS gebruikt in combinatie met een Windows-client. Voor meer informatie over WireGuard en het opzetten van een aparte VPN-server verwijzen we je naar een eerder artikel dat je kunt lezen via www.kwikr.nl/wgvpn waarin dat uitgebreid aan bod komt. Zorg bij QNAP dat de toepassing QVPN Service is geïnstalleerd via App Center. Open dan de toepassing en ga naar WireGuard. Zet een vinkje bij WireGuard VPN-server inschakelen. Vul een naam in achter Servernaam. Klik achter Persoonlijke sleutel op Codeparen genereren. Noteer de waarde bij Openbare sleutel: die is straks nodig bij de configuratie van clients. Achter Luisterpoort zie je de poort (udp) die je moet doorsturen in de router. Bij DNS Server vul je een openbare DNS-server in (zoals 8.8.8.8) óf een DNS-server in je lokale netwerk. Klik op Toepassen om de instellingen te bewaren. Klik op Peer toevoegen. Hier kun je clients toevoegen (zie volgende stap).

De instellingen voor WireGuard bij een NAS van QNAP.

Client instellen

Elk apparaat dat verbinding met WireGuard maakt, is een zogenoemde peer. Voor het toevoegen van een apparaat kies je bij QNAP de optie Peer toevoegen. Vul een herkenbare naam in. De waarde bij Openbare sleutel komt bij deze ‘peer’ vandaan, die gaan we nu eerst instellen. Installeer en open de Windows-client en kies de optie Add Empty Tunnel. Er worden een privé- en openbare sleutel gegenereerd. Er opent een configuratiebestand met de privésleutel waarin je onder andere deze twee regels ziet:

[Interface]

PrivateKey = +MSQ3D2+M71SotRrWC3hnPyzYSTWNuaxWwc920=

Vul deze configuratie verder aan zoals in het voorbeeld hieronder. Bij Address kies je een vrij ip-adres binnen het VPN-subnet, dat nog niet door een andere peer wordt gebruikt. Je kunt dit voor elke client ophogen, dus 198.18.7.2/32, 198.18.7.3/32, en zo verder. Belangrijk is dat je bij PublicKey de openbare sleutel die QNAP laat zien invult. Bij Endpoint vervang je ipadres door het ip-adres (of de hostnaam) van je internetverbinding thuis. Dit is de configuratie die je moet aanpassen:

[Interface]

PrivateKey = +MSQ3D2+M71SotRrWC3hnPyzYSTWNuaxWwc920=

ListenPort = 51820

Address = 198.18.7.2/32

DNS = 1.1.1.1

[Peer]

PublicKey = KsCc+cRucH4F8T3VdyatvZXjqvunEerBZapulE=

AllowedIPs = 0.0.0.0/0

Endpoint = ipadres:51820

Bewaar de configuratie met Save. Kopieer nu de waarde bij Public key van deze client. Je leest deze af in het hoofdvenster van WireGuard (zorg dat de bewuste tunnel is geselecteerd). Plak deze in QNAP bij Openbare sleutel bij de configuratie van deze peer. Je kunt nu verbinding maken met je Windows-client!

Voltooi de configuratie voor de Windows-client voor WireGuard.

Firewall instellen voor je NAS

Een firewall op je NAS biedt extra bescherming. Bij Synology open je daarvoor Configuratiescherm. Ga dan naar Beveiliging en open het tabblad Firewall. Zet een vinkje bij Firewall inschakelen en kies Toepassen. Bij Firewallprofiel kun je een profiel kiezen of bewerken. Kies Regels bewerken om het huidige profiel aan te passen. Begin met een regel die alle apparaten op het lokale netwerk toestaat. Kies bij die regel bij Poorten de optie Alles. Bij Bron-IP kies je Specifiek ip. Klik daarachter op Selecteren en kies Subnet. Je moet hier het netwerkbereik van je router kennen. In veel gevallen is dat iets als 192.168.1.0 met subnetmasker 255.255.255.0. Dit omvat dan alle adressen van 192.168.1.0 t/m 192.168.1.255. Voeg hierna nog specifieke regels toe voor toepassingen die van buitenaf toegang moeten hebben. In dit voorbeeld staan we bijvoorbeeld SSH toe vanaf een bepaald ip-adres. Heel belangrijk is dat je als laatste een regel toevoegt die alles blokkeert. De regels worden namelijk van boven naar beneden doorlopen en bij de eerste match stopt de verwerking. Het configuratiescherm van QNAP biedt ook een firewall, maar dat is meer een soort toegangsfilter. Voor uitgebreidere opties kun je QuFirewall installeren via App Center.

Het is raadzaam om de firewall op je NAS te gebruiken voor toegangsbeperking.

Wat is Tailscale?

Met Tailscale kun je een virtueel privénetwerk maken tussen al je apparaten. Dit gebeurt op basis van identiteit, met bijvoorbeeld een standaard Google-account voor autorisatie. Je kunt alle toegevoegde apparaten benaderen via een intern ip-adres of de toegekende hostnaam. Tailscale gebruikt dezelfde technologie als WireGuard, wat het snel, veilig en betrouwbaar maakt. Je hebt geen centrale server nodig en hoeft ook geen poorten in je router open te zetten. Wel moet je elk apparaat in principe afzonderlijk aan je privénetwerk toevoegen. Dat is eenvoudig, ook voor een NAS, zoals je hieronder ziet. Als alternatief kun je Tailscale ook op één apparaat in je netwerk installeren en dat apparaat als subnetrouter instellen, zodat je via dat ene systeem toegang hebt tot alle andere apparaten in je netwerk. In dat geval hoef je Tailscale niet op elk afzonderlijk apparaat te installeren. Meer uitleg over Tailscale vind je in dit artikel.

Met Tailscale kun je een privénetwerk voor je apparaten maken.

Eerste stappen

Ga naar https://tailscale.com en kies de optie Get started. Log in met een van de ondersteunde identiteitsproviders, bijvoorbeeld een standaard Google-account of een van de andere opties. Hierna wordt automatisch je Tailscale-netwerk, of kortweg tailnet, gemaakt. Dat is een soort privé-VPN-netwerkje waar jouw apparaten deel van uit gaan maken. Als je op een ander apparaat inlogt met datzelfde account, is het bereikbaar vanuit je andere apparaten in dit tailnet. Een gratis account ondersteunt tot drie gebruikers en honderd apparaten.

Log in bij Tailscale met bijvoorbeeld je Google-account.

Apparaten toevoegen

Het toevoegen van apparaten is eenvoudig. Het volstaat om de software te installeren en in te loggen met dezelfde identiteitsprovider. Om Tailscale bijvoorbeeld op een iPad te gebruiken, installeer je eerst de toepassing via de App Store. Hierbij wordt een VPN-configuratie voor je iPad gemaakt. Daarna log je in en zie je een lijst met apparaten in je privénetwerkje, waarbij je ook de namen af kunt lezen.

Op een iPad maakt Tailscale een VPN-profiel aan.

Tailscale op je NAS

Je kunt Tailscale ook op een NAS installeren. Bij Synology zoek je daarvoor in Package Center naar Tailscale. Bij QNAP kun je in App Center terecht. Installeer en open de toepassing. Er wordt gevraagd om in te loggen, waarbij je weer hetzelfde account als hiervoor gebruikt. Zet daarna de verbinding op via Connect. Als je nog een keer de Tailscale-app opent, kun je details zien over het bewuste apparaat, zoals het ip-adres en de hostnaam die je kunt gebruiken om verbinding te maken.

Tailscale is als pakket beschikbaar voor Synology en QNAP.

Wat is een Cloudflare-tunnel?

Bij een Cloudflare-tunnel installeer je op één systeem in je netwerk (bijvoorbeeld je NAS) een klein programma, dat van binnenuit een versleutelde verbinding opzet naar Cloudflare. Daarna kun je toepassingen individueel toevoegen die deze tunnel mogen gebruiken. Daarbij kun je elke toepassing een eigen subdomein geven, zoals nas.domein.nl voor je NAS. De tunnel laat geen netwerkprotocollen zoals SMB en NFS door en WebDAV is een uitdaging. Het is vooral bedoeld voor webverkeer. Je kunt incidenteel wel bijvoorbeeld DS File gebruiken, voor het browsen door je bestanden en kleine uploads of downloads.

Bij Cloudflare kun je gratis een tunnel opzetten voor toegang op afstand.

Domein registreren

Log in bij Cloudflare met een bestaand account of maak een nieuw gratis account. Registreer een domeinnaam via Add / Register a domain of voeg een bestaand domein toe via Add / Connect a domain. In dat laatste geval moet je de DNS-instellingen bij je huidige provider aanpassen, zodat de nameservers naar die van Cloudflare verwijzen. Afhankelijk van de extensie betaal je bij Cloudflare vanaf zo’n 6 dollar per jaar (circa 6 euro) per domein. Je kunt een domein eventueel direct voor meerdere jaren registreren of voor automatische verlenging kiezen. Betalen kan met creditcard of PayPal. In je dashboard vind je je domein terug onder Domain registration / Manage domains.

Registreer tegen lage kosten een domein bij Cloudflare.

Tunnel voorbereiden

Ga via het menu aan de linkerkant naar Zero Trust. Klik dan op Networks en kies Tunnels. Klik op Create a tunnel. Selecteer de optie Cloudflared. Geef je tunnel een naam. Vervolgens moet je een zogeheten connector installeren op één systeem in je netwerk om een tunnel te maken. Alle toepassingen die je straks via de Cloudflare-tunnel gaat publiceren, moeten bereikbaar zijn vanaf dat systeem. Dat is meestal alleen een probleem bij gescheiden netwerken of strikte firewallregels. Installeer Cloudflared volgens de instructies op een systeem dat altijd aanstaat. Dat kan een server of Raspberry Pi zijn, maar óók je NAS, zoals we hieronder toelichten. Hierna komt de tunnel automatisch online.

Maak een tunnel via de website van Cloudflare.

Tunnel op Synology-NAS

Voor de installatie op een NAS heeft Cloudflare geen instructies, maar de procedure is relatief eenvoudig. Kopieer de opdracht die je ziet bij bijvoorbeeld de Windows-installatie en plak deze in een editor. Je ziet hierin een lange string van 184 tekens die meest begint met eyJh…. Dat is de benodigde token. Om Cloudflared op een Synology-NAS te installeren open je Package Center. Ga naar Gemeenschap en kies Cloudflare Tunnel. Klik op Installeren. Nu wordt om de token gevraagd. Je hoeft geen geavanceerde opties te kiezen. Na het voltooien van de installatie is je tunnel klaar voor gebruik.

Vul de token in bij de installatie van de software op je Synology-NAS.

Tunnel bij QNAP

QNAP biedt geen softwarepakket, maar je kunt Cloudflare wel vrij eenvoudig via Docker configureren en starten. Het is het makkelijkst om met Docker Compose te werken. Installeer indien nodig Container Station en open het programma. Ga dan naar Toepassingen en klik op Maken. Bij Naam van de toepassing vul je een herkenbare naam in, zoals cloudflared. Bij YAML-code vul je de onderstaande code in. Achter TUNNEL_TOKEN vul je uiteraard jouw token in. Klik dan op Maken om de tunnel te maken. Dit is de benodigde code:

version: "3"

services:

  cloudflared:

    image: cloudflare/cloudflared:latest

    container_name: cloudflared

    restart: unless-stopped

    network_mode: "host"

    command: tunnel run

    environment:

      - TUNNEL_TOKEN=eyJh...

Bij QNAP kun je Cloudflared het beste via Docker installeren.

Toepassing toevoegen

Je kunt nu elke toepassing via de tunnel beschikbaar maken met een uniek subdomein. Om zo’n zogeheten route aan te maken, ga je binnen Zero Trust naar Networks / Tunnels. Bij Status geeft het systeem als het goed is aan dat de tunnel gezond is. Open het menu (via de drie puntjes) en kies Configure. Ga dan naar het tabblad Published application routes. We nemen de webinterface van een NAS die lokaal bereikbaar is op https://10.0.10.200:5001. Bij Subdomain vul je bijvoorbeeld nas in. Bij Domain kies je een domein. Bij Type kiezen we HTTPS en bij URL vullen we 10.0.10.200:5001 in. Bij de optie HTTPS moet je oppassen. De NAS heeft in ons geval geen echt certificaat. Daarom is het belangrijk om onder Additional application settings / TLS de optie No TLS Verify aan te vinken. Cloudflare zal dan negeren dat het certificaat niet ondertekend is. Klik op Save. Er zal automatisch een DNS-record worden gemaakt en je kunt vrijwel direct op afstand je NAS benaderen.

We maken een route voor de NAS.

Extra beveiliging bij Cloudflare

Na het openstellen van een toepassing via een subdomein kan in feite iedereen die dat adres kent de toepassing benaderen, zoals de webinterface van je NAS. Of ze ook binnenkomen, hangt af van je beveiliging. Een NAS kun je zelf extra beveiligen, bijvoorbeeld met tweestapsverificatie. Maar je kunt toegang óók beperken via Cloudflare zelf. Je kunt bijvoorbeeld regelen dat alleen jij bij de tunnel mag, via een tijdelijke code die je per e-mail ontvangt, of door te verplichten dat je eerst moet inloggen met een specifiek Google-account.

▼ Volgende artikel
Actieve versus passieve speakers: welke luidsprekers passen bij jou?
© jipen
Huis

Actieve versus passieve speakers: welke luidsprekers passen bij jou?

Twijfel je tussen actieve en passieve luidsprekers? Het verschil zit in de versterker. In dit artikel leggen we uit wat de voor- en nadelen zijn, zodat je precies weet welk systeem het beste klinkt in jouw woonkamer. Geen gedoe, gewoon helder advies.

Als je op zoek bent naar beter geluid, vliegen de termen je om de oren. Het onderscheid tussen actief en passief is misschien wel de belangrijkste technische keuze die je moet maken, maar wordt vaak onnodig ingewikkeld gemaakt. Veel mensen denken dat het puur om geluidskwaliteit gaat, terwijl het vooral draait om gebruiksgemak en apparatuur. Na het lezen van dit stuk weet je precies of je voor alles-in-één gemak moet gaan of voor de vrijheid van losse componenten.

De kern: waar zit de krachtbron?

Het technische verschil is eigenlijk heel simpel: het draait allemaal om de locatie van de versterker. Een luidspreker kan namelijk geen geluid maken zonder stroom en aansturing.

Bij een actieve speaker is de versterker ingebouwd in de behuizing van de luidspreker zelf. Je herkent dat direct aan de achterkant: er zit een stroomkabel aan die het stopcontact in moet, en vaak knoppen voor volume of toonregeling. Je sluit je telefoon, pc of platenspeler direct aan op de speaker.

Bij een passieve speaker zit er géén elektronica in de kast die het geluid versterkt. De speaker heeft geen stekker voor het stopcontact, maar alleen aansluitingen voor luidsprekerdraad. Je hebt altijd een losse versterker of receiver nodig die het signaal krachtig genoeg maakt voordat het naar de speaker gaat. Een veelvoorkomend misverstand is dat 'passief' betekent dat ze slechter of zwakker zijn. Integendeel, de allerduurste hifi-systemen zijn bijna altijd passief.

©jipen

Wanneer is actief de slimste keuze?

Kies voor actief als je houdt van een opgeruimd huis en gebruiksgemak (dit soort speakers zijn meestal plug & play). Omdat de fabrikant de ingebouwde versterker helemaal heeft afgestemd op de luidspreker, ben je verzekerd van een goede match zonder dat je technisch inzicht nodig hebt. Dit is bij uitstek geschikt voor minimalisten die geen losse apparaten of een wirwar aan kabels in de woonkamer willen. Een soundbar is hier het bekendste voorbeeld van; dat is bijna altijd een actieve speaker. Ook voor een werkplek of gaming-setup op een bureau is dit de standaard, omdat je ze direct in je pc plugt zonder tussenkomst van een extra apparaat. Daarnaast zie je deze techniek terug in slimme multiroom-systemen met wifi of bluetooth (zoals die van Sonos), waarmee je direct vanaf je telefoon muziek streamt.

De beperking van alles-in-één

Het grote nadeel van actieve speakers is dat je vastzit aan het totaalpakket. Gaat de versterker in de speaker kapot? Dan doet je hele luidspreker het niet meer, ook al zijn de speaker-units zelf nog prima.

Daarnaast ben je minder flexibel in de toekomst. Bij passieve systemen kun je over vijf jaar besluiten om alleen een nieuwe versterker met de nieuwste streamingfuncties te kopen, terwijl je je geliefde speakers behoudt. Bij een actief systeem moet je bij veroudering van de software of aansluitingen vaak meteen de hele set vervangen. Daarnaast is het uitbreiden van een stereoset naar een volledige thuisbioscoop met actieve speakers vaak lastiger of beperkt tot één specifiek merk.

©Aboltin

Wanneer moet je absoluut niet voor actief kiezen?

Er zijn specifieke situaties waarin je een actief systeem beter links kunt laten liggen. Als je bijvoorbeeld al een prima werkende versterker of receiver hebt staan, is het zonde van je geld om actieve speakers te kopen. Je betaalt dan immers dubbel voor versterking die je niet gebruikt.

Ook als je speakers wilt wegwerken in het plafond of de muur is passief de enige logische route. Je wilt namelijk geen stroompunten bij elke inbouwspeaker aanleggen, en je kunt sowieso niet makkelijk bij de elektronica als er eenmaal iets stuk gaat.

Tot slot kun je in grote ruimtes, zoals een hal of showroom, beter met passief draad werken. Luidsprekerkabels zijn over lange afstanden veel makkelijker te trekken en te verlengen dan de combinatie van stroom- en signaalkabels bij actieve speakers.

Check je kabels en je kastruimte

Om de knoop door te hakken, kijk je eerst goed naar je eigen situatie. Heb je in je tv-meubel ruimte voor een los apparaat van ongeveer 44 cm breed (de standaardmaat voor receivers)? En vind je het leuk om zelf je set samen te stellen? Dan is passief jouw route naar topgeluid op maat.

Heb je daarentegen geen zin in gedoe, wil je met één afstandsbediening klaar zijn en heb je een hekel aan zichtbare apparatuur? Dan is een actief systeem of een actieve set boekenplank-speakers de moderne oplossing die je zoekt.

Kortom: eenvoud versus controle

Het verschil tussen actief en passief is een keuze tussen gemak en flexibiliteit. Actieve speakers bieden een alles-in-één oplossing: stekker erin en spelen, ideaal voor wie weinig ruimte of geduld heeft. Passieve speakers vereisen een losse versterker, maar geven je de vrijheid om je systeem oneindig aan te passen, te repareren en te upgraden. Kijk dus niet alleen naar het geluid, maar vooral naar hoeveel apparaten je in huis wilt halen.